BERLIJN 2008 - 2013

Van 2008 tot en met 2013 heb ik me in Berlijn naast ruimtelijk onderzoek vooral bezig gehouden met het organiseren van studiereizen en excursies. Daarbij ging het om de geschiedenis van de stad, maar ook om het hedendaagse Berlijn. Wat maakt de stad zo aantrekkelijk? Hoe gaat Berlijn om met het woningvraagstuk? Waarom zijn er zoveel tijdelijke projecten? Waar komt de ondernemingszin van al die jonge Berlijners vandaan? Maar bovenal: waarom is Berlijn nooit wat je ziet? Ter plekke live en via mijn kladblog online heb ik gepoogd mensen meer vertrouwd met deze ingewikkelde stad te maken.

Ik heb veel geschreven over Berlijn. Hieronder een selectie van gepubliceerde artikelen:

Met het BMW Guggenheim Lab is iets vreemds aan de hand. Het aardige idee – museum en autobouwer sponsoren een mobiel laboratorium dat op diverse plekken ter wereld de belangrijke vragen over de toekomst van de stad behandelt – blijkt eerder contraproductief dan effectief. De hamvraag die boven het hele fenomeen BMW Guggenheim Lab blijft hangen wordt niet beantwoord: voor wie is dit bedoeld? Zie verder: ArchiNed

Recentelijk verschenen er twee interessante boeken met een overlappend thema: het effect van veranderende tijden op het ontwerpen en (zelf) bouwen. Wat leren deze publicaties ons over de huidige en toekomstige tijd? En wat kunnen ontwerpers met deze lessen? Zie verder: ArchiNed

Het tijdelijk gebruiken van grond en gebouwen kent in Berlijn een lange traditie. Direct na de Tweede Wereldoorlog werden grote delen van de stad tijdelijk voor andere functies gebruikt. Voorbeeld is het stadspark Tiergarten, dat na afloop van de oorlog functioneerde als volkstuin, om de gebrekkige voedselvoorziening het hoofd te bieden. De afgelopen twee decennia heeft het tijdelijk gebruik - in het Duits: Zwischennutzung - een steeds sterkere positie in het stadsbeeld veroverd. in: Tijdelijk Amsterdam, uitgave ProjectManagementBureau gemeente Amsterdam

Hieronder een selectie van mijn eigen blogbijdragen uit de periode 2008 -2013, gerangschikt naar thema's wonen en bouwen, dagelijks leven, uitgaan en Berlijnse wijken.

Niets is veranderlijker dan Berlijn zelf, vandaar dat ik hier die blogs heb opgenomen die anno 2017 niet al te gedateerd lijken, of wellicht inmiddels tijdloos klassiek zijn geworden. Ieder thema begint met een korte algemene introductie.

WONEN EN BOUWEN

Berlijn is zo vaak ondersteboven gehaald, dat het amper bij te houden is hoe de stad veranderd is. En nog steeds veranderd. In de periode 2008 - 2013 werd de slapende stad wakker uit haar Doornroosjeslaap. De investeerders kwamen, zagen en overwonnen deels de stad. Nadat toenmalige burgemeester Klaus Wowereit in 2003 -per ongeluk bijna- in een interview aangaf dat "Berlin, arm aber Sexy" is (arm, maar sexy) begon het tot meer en meer mensen door te dringen dat er in Berlijn iets bijzonders aan de hand was. Je kon er bijna ongeremd je gang gaan, want huren (en eten, en drinken, en uitgaan en alles waar je nog meer geld aan uitgeeft) waren er ongekend laag. Daarmee werkte Berlijn (wederom, net als in de jaren '20-'30 van de vorige eeuw) als een magneet op bohemiens, flierefluiters, vrije vogels en anderen die zich maar al te graag niet aanpasten aan huisje, boompje, beestje. Al was het maar voor een tijdje. Ondertussen werd Berlijn (her-)ontdekt door investeerders uit binnen- en buitenland. Vastgoed bleek er een "Schnäppchen" (koopje) en met het huurrecht nam men het niet zo nauw. Zie hiervoor de documentaire uit 2016: Die Stadt als Beute (de stad als prooi).  Dat leidde ertoe dat de stad wederom omgeploegd werd. Lege gaten tussen de bebouwing, nog als resultaat van de Tweede Wereldoorlog overgebleven, werden in een rap tempo volgebouwd. Tegelijkertijd werd er geëxperimenteerd met nieuwe woon- en leefvormen. Vooral Baugruppen hebben -zij het niet in aantal, wel in architectonische vormgeving en stedelijke vernieuwing- het beeld van een snel veranderende stad bepaald.

 

Straat bakken ( juni 2014)

Niederbarnimstrasse Berlijn in 2008

Niederbarnimstrasse Berlijn in 2008

Benodigdheden:

Een straatvorm van 25 meter breed, 260 meter lang en circa 22 meter hoog

Circa 27 huizen (panden) van minimaal 15 meter breed, met achterliggend een of meerdere hoven. In de huizen mogen het liefst zo weinig mogelijk buitenruimtes voorkomen, zodat de straat als huiskamer wordt gebruikt. Door de strakke straatvorm is de dichtheid rondom de straat hoog.

Ingrediënten:

11 restaurants van verschillende origine: Japans, India's, Italiaans, Vietnamees, Chinees, Spaans, Duits etc.

5 cafés voor diverse doelgroepen als tieners, rockers, rokers, voetbal- en filmfans

3 lunchrooms

circa 18 gevarieerde winkels als boekhandel, wijnwinkels, eco-bakkerij, rijschool, reisbureau, kapsalons een hifi-winkel, een tweedehansplatenzaak, tweedehands kledingwinkels

2 bloemen- en plantenwinkels

2 pinautomaten

1 minibioscoop met 100 stoelen met de pornonaam Intimes

1 vrije, gedoogde plakmuur voor graffiti en plakkers voor aankondigingen van feesten, demonstraties of verloren liefdes

Voor de topping: circa 52 bomen (bij voorkeur gemengd, bijvoorbeeld linden, populieren et cetera) met een gevarieerde stamomvang van minimaal 5 tot 15 centimeter

Niederbarnimstrasse van rechtsboven naar linksonder, opname 2008

Niederbarnimstrasse van rechtsboven naar linksonder, opname 2008

Voorbereiden:

Bekleedt de straatvorm met twee delen stoep, aan beide kanten ongeveer zes meter. Tussen deze twee stoepen ruimte vrijlaten voor de rijbaan. Aan beide kanten van de stoep ruimte reserveren voor geparkeerde auto’s; aan de ene kant langs de rijbaan; aan de andere kant haaks op de rijbaan.

Niederbarnimstrasse, opname 2008

Niederbarnimstrasse, opname 2008

Bereiden:

Neem de winkels, cafés, restaurants en verspreidt deze evenredig over de aangebrachte huizen. Als topping de bomen gelijkmatig over de stoep verdelen. De boomkransen laten versieren met minituintjes, ofwel guerillagartens

Afbakken hoeft niet.

Met de juiste ingrediënten blijft deze straat jaren goed. Mocht één van de ingrediënten niet meer vers zijn dan kan deze eenvoudigweg door een van de andere onderstaande ingrediënten vervangen worden.

 

 

 

DIE PLATTE (NOVEMBER 2014)

Plattenbau; een goede naam heeft het niet. Los van de technische onvolkomenheden (zie hier hoe je moet boren in 10 centimeter dik beton) als geluidsoverlast en tocht hebben buurten en wijken die volledig uit Plattenbau zijn gebouwd geen goede naam. Zo zijn in de wijk Marzahn in Gebiet 3 tussen de Landsberger en de Märkische allee, Wuhletalstrasse en Blumberger Damm tussen 1980 en 1987 meer dan 20.000 woningen gebouwd. Allemaal in Plattenbau. Waarom? Omdat met de totaal gestandaardiseerde Platten, die in de fabriek werden gemaakt, snel gebouwd kon worden. De standaardisatie leidde ertoe dat er slechts een handvol woningtypen te vinden was. Blokken variëren in hoogte tussen vijf en elf lagen. De gemiddelde grootte van de woningen ligt bij 61 vierkante meter. De gevels zijn van beton, met af en toe grind in de gevel verwerkt. Nadat Marzahn volgebouwd was is midden jaren tachtig van de vorige eeuw met Hellersdorf begonnen. Hier is overwegend vier/vijflaagse bebouwing neergezet; hoger bouwen vereiste liften en dat was duur in aanleg en onderhoud. Toen de muur in 1989 viel was Hellersdorf nog maar half af.

Niet alleen in de buitenwijken verrees die Platte. Vooral in het centrum van de stad (= grotendeels voormalig Oost) is veel Plattenbau ontwikkeld. Het gebied ten noorden en zuiden van de Kino International aan de Karl-Marx-Allee is zo’n plek waar na de Tweede Wereldoorlog dat wat nog over was gesloopt is en met Plattenbau nieuw gebouwd. In dit deel, Karl-Marx-Allee ll genoemd, zijn tussen 1959 en 1965 meer dan 4.500 woningen in Plattenbau uit de grond gestampt. Hier werd in het 26 centimeter dikke beton tijdens de productie al de keramieken tegels aangebracht, wat ze een typisch uiterlijk geeft. Waar in dit gebied alles wat er stond na de oorlog is weggegumd is de meest interessante (en leukste) Plattenbau iets verderop te vinden. Grote delen van Mitte, rondom de Hackeschem Markt is namelijk ook Plattenbau. De helehalve Linienstrasse kenmerkt zich door Plattenbau. Waar iets vreemds mee aan de hand is, en wel op twee manieren. Allereerst probeert de Platte in deze omgeving in schaal en verschijningsvorm niet op te vallen ten opzichte van de rest van de omgeving. Die bestaat uit oude (vaak inmiddels gerenoveerde) bebouwing, met schuine daken. De Plattenbau past zich hierop aan. Dat is goed te zien op de hoek van de Sophienstrasse en de Grosse Hamburgerstrasse: originele, niet gerenoveerde Plattenbau met schuine daken, balkonnetjes met bloembakken en een gelede gevel waardoor het niet zo opvalt dat het een groot blok is. Maar… Plattenbau is standaard, en Mitte is oud. Die twee gaan niet heel sterk samen. Architect Arno Brandlhuber heeft eens uitgerekend hoeveel volume er in Mitte verloren gaat omdat de Plattenbau zich gestandaardiseerd tegen de oude bebouwing aanschurkt. Dat leidt in de praktijk tot passtukken tussen de bestaande bebouwing en Plattenbau. Achter deze passtukken, die soms over vier/vijf verdiepingen hoog gaan, bevindt zich niets anders dan…. lucht.

Wohnungsbaugesellschaft Mitte (WBM) wil de Platte populairder maken. Want nogmaals: een goede naam heeft de Platte niet. Een echte Berlijner woont in een grote, mooie Gründerzietwohnung, met parket en dubbele deuren. Niet dus, want veel mensen die in de Platte wonen zijn er prima tevreden. En om dat te illustreren heeft het woningbedrijf een site ontwikkeld, met daarop enkele filmpjes van tevreden Platterianen. Okee, niet helemaal eerlijk, want de meneer in de video is de communicatiemeneer van WBM. Maar hij heeft wel een leuke poes.Op die site  met de prozaïsche naam „Jeder Quadratmeter Du“ (iedere vierkante meter jij) zijn huurders en fans van Plattenbau te zien en horen. "Arbeidersopbergkluisjes, trieste betonkastelen, slaapsteden“; inmiddels is het negatieve imago van de Platte bijgesteld, aldus WBM. Rondom 70 procent van de 35.000 woningen van WBM zijn Plattenbauflats rondom Alexanderplatz. Steffi Pianka van WBM heeft met een team van redacteuren, fotografen, filmers, architecten en designers informatie over de Platte verzameld. Onder "Plattenstory“ is info te vinden over de geschiedenis en de 'uitvinders‘ van het type WBS 70 en P2. Platten-TV“ laat verschillende „""Plattenköpfen“ aan het woord, zoals de designpaus van de DDR Rudolf Horn. Hij is de uitvinder en ontwikkelaar van het montagemeubelprogramma MDW dat zo ongeveer in eidere Plattenbauwoning voor de Wende standaard te vinden was. In "Platte kreativ“ wordt duidelijk hoe je van een Plattenbauwoning toch nog iets aardigs maken kan. Uit zes standaardtypen Plattenbau hebben architecten 24 nieuwe plattegrondmogelijkheden ontwikkeld. Dat je met die Platte veel kan doen laten de filmpjes goed zien –hoewel de doelgroep overduidelijk jong en hip is-. Maar dat die Platte volop tot creativiteit leidt laten enkele andere voorbeelden zien. Zo heeft de TU Berlin een atelier Plattenbaugehad, om te onderzoeken in hoeverre de betonnen delen in geheel zijn te recyclen. Uiteraard kan je het beton in de versnipperaar doen en van de resten weer nieuw beton maken, maar hergebruik van delen die nog heel blijven zou duurzamer kunnen zijn. Dit heeft voor een deel tot succes geleidt; dertien type WBS 70-platen zijn hergebruikt en worden belicht door twaalf ex-ramen van het Palast der Republik, dat vooral beton, staal en(oranje rook-)glas bestond. Dat heeft het uiterst sympathieke en intiemkleine Plattenpalast opgeleverd; een galerie/tentoonstellingsruimte voor in de achtertuin.  Architectenbureau Wiewiorra Hopp Architekten heeft dit samen met de TU Berlin in 2009 ontwikkeld.

 

En het kan nóg creatiever. Zo is er een firma die van karton bouwplaten maakt van Plattenbau. Er is een keur aan gebouwen te knippen, snijden en/of vouwen; van de eenvoudige woningen van WBS 70 (voor € 4,90 te verkrijgen, het model 1:400 qua schaal) tot aan het Palast der Republik en de halve Karl-Marx-Allee. Anderen verzamelen Plattenbau van all over the World en maken er een site van met mooie beelden, en noemen dat dat Fuckyeahplattenbau. In Berlijn is een studiecentrum dat de ontwikkeling en transformatie van die Platte en de wijken waarin zij zijn gebouwd documenteren en presenteren: het Kompetezzentrum Grossiedlungen, een initiatief van de woningbouwverenigingen. Ze richten zich op het efficiënt verbeteren van de energiebalans van die Platte. Het schijnt dat na isolatie van de Platte het energieverbruik met 80% kan dalen. Tja, het is allemaal prefab maar dat wil niet zeggen dat de warmte en geluid niet door alle kieren en gaten naar buiten kan vliegen. Isoleren, door aan de buitenkant isolatie en stuc aan te brengen brengt de Platte energetisch weer up to date. Die methode wordt met gevoel voor understatement in Duitsland ‘Pullover anziehen’ (pullover aantrekken) genoemd.

 

 

Berlin baut (mei 2014)

Wat een verschil tussen de ene en de andere senator van stadsontwikkeling. Waar de vorige de nadruk bleef leggen op hoe belangrijk het was dat Berlijn meeging in de vaart der steden als Hamburg, München, Keulen, Frankfurt legt de huidige de nadruk op Berlijn zelf. Dat is winst. Tegelijkertijd zal de huidige senator, Michael Müller, het zwaarder krijgen dan de vorige, Ingeborg Junge-Reyer. Want Berlijn groeit. En niet zo’n beetje ook. Tot 2030 wordt een inwonertoename verwacht van 250.000 inwoners. Ofwel: meer dan 15.000 inwoners per jaar, mocht het geleidelijk gaan. Want dat weet je maar nooit.

De vergelijking dringt zich op met de jaren negentig, toen Berlijn evenzo grote groeiprognoses maakte. In 1990 werd gerekend met een behoefte van 200.000 woningen tot 2000. Ofwel: 20.000 benodigde woningen per jaar. Daar is destijds flink aan gebouwd in nieuwbouwwijken als Wasserstadt Rummelsburg/Stralau, Wasserstadt Spandauer See, Neu Karow. Tegelijkertijd liep vooral Oost-Berlijn leeg. Mensen gingen op zoek naar werk, of geluk. En dat lag niet in Berlijn, maar in West-Duitse steden als München, Stuttgart, Hamburg of Keulen. Met als gevolg een grote mismatch tussen aanbod –snel gebouwde en op luchtbelfinanciering gestoelde woningbouw- en vraag; namelijk: weinig tot geen. Daar kwam men pas rond 1995-1996 achter. Op dat moment zijn veel plannen bijgesteld. Maar daarna kwamen de drastische maatregelen, zoals het afschaffen van de sociale woningbouw. Ja, u leest het goed; die bestaat in Berlijn niet meer. Althans; er wordt geen sociale woningbouwwoning meer bijgebouwd. Onder het mom van: die zijn er genoeg, we moeten naar het beheren (en deels verkopen) van woningen zijn de voormalige corporaties omgeturnd in beheersorganisaties. Dit jaar is het voor het eerst in dertien jaar dat een corporaties bij de gemeente aanklopt voor financiële steun van de stad om goedkope woningen te bouwen.

In de video’s wordt een viertal grote projecten in Berlijn gepresenteerd:

1. Europacity, achter Hauptbahnhof gelegen stuk rangeerterrein dat wordt omgevormd tot nieuw stadsdeel met ca. 2.000 woningen en 400.000 vierkante meter kantoren, voorzieningen en horeca. In de contracten met de grondeigenaren is overeengekomen dat zij (financieel) bijdragen aan de openbare voorzieningen.

2. Park am Gleisdreieck. Wordt hier gepresenteerd als een succesvol burgerinitiatief, maar dat is beetje pronken met andermans veren. Want de burgers die ooit het initiatief hebben genomen om van het ruige, niet meer gebruikte rangeerterrein een park te maken, hebben een flinke en lange strijd moeten leveren. Hier heeft de tijd mooi zijn werk kunnen doen. Het is een prachtpark geworden, een ‘pauzelandschap’ zoals het wordt genoemd. Een groene pauze, intiem en openbaar, voor de dichtbevolkte buurten Schöneberg/Tiergarten en Kreuzberg. Zeer de moeite waard te bezoeken.

3. Tempelhofer Freiheit. Zo wordt (eufemistisch) het voormalig vliegveld Tempelhof genoemd. Dat sinds een paar jaar als park functioneert. En tegelijkertijd is de 380 hectare leegte bedrieglijk. Want er wordt een felle strijd gevoerd tussen de voor- en tegenstanders van het (deels) bebouwen van het voormalige vliegveldterrein. De stad schermt met het argument dat er betaalbare woningbouw nodig is –terwijl deels hetzelfde bestuur de afgelopen jaren daar zo ongeveer niets aan gedaan heeft- versus de Berlijners en gebruikers die tegen iedere vorm van bebouwing zijn. Naast het wel/niet bebouwen van het park zijn er plannen om er in ieder geval de nieuwbouw van de grote Landesbibliothek te bouwen. Dat wordt een architectonisch prestigeobject, ook wel Mausoleum van Wowereit genoemd. Alle argumenten om deze bibliotheek in het 1,3 kilometer lange luchtvaartgebouw onder te brengen –waar nu modebeurzen en muziekfestivals plaatsvinden- worden door de stad weggewoven. 25 mei a.s. is er een referendum over het wel/niet bebouwen. Dan wordt het spannend. Haalt de stad bakzeil met de bouwplannen? En wat dan?

4. TXL: Als vierde gebied wordt TXL genoemd, het nu nog in gebruik zijnde Kuifjeachtige vliegveld Tegel. Ooit, ooit ooit ooit (enz.. enz… enz… enz..) zal Tegel als vliegveld sluiten als BER –uitgebouwde vliegveld Schönefeld in het zuidoosten- opengaat. Vanaf dat moment kan TXL zoals het altijd op uw kofferlabel staat omgevormd worden tot een cluster van onderzoek, productie, techniek en wetenschap. Dat past bij het noordoosten van Berlijn, waar van oudsher als veel industrie van Siemens en AEG te vinden is. De nadruk zal er liggen op energie, mobiliteit, water en recycling. Een deel van de 140.000 studenten die Berlijn heeft kan er terecht. En wellicht kan de start-up-ontwikkeling die in Berlijn een hoge vlucht neemt -40.000 start-ups in het afgelopen jaar_ er een plek krijgen.

De film is mooi gemaakt, er is veel en vaak over de stad heen gevlogen. En Müller doet zijn best. Iets te vaak wordt de Muur erbij gehaald, om aan te tonen dat Berlijn van een gedeelde een weer aan elkaar gegroiede stad is geworden. Dat had niet gehoeven. Berlijn heeft –Müller zegt het zelf al – vandaag de dag genoeg ingrediënten van zichzelf die het de moeite waard maken hier te wonen of naar toe te komen: de diversiteit, veelzijdigheid, het groen, het metropool-zonder-stresskarakter et cetera.

 

LEEGTE EN BETEKENIS (APRIL 2012)

Ik heb het al vaker geschreven: Berlijn is helemaal niet ruim, Berlijn is leeg. Naast dat van veel alles dubbel is (dierentuin, opera, universiteit, ziekenhuizen, zwembaden) stikt het daarnaast van de leegte. Hans Stimman, ooit stadsbouwmeester in de jaren negentig, heeft weleens opgemerkt dat het verschil tussen een arbeider in een fabriek en een laptopslaaf de factor vijf is. Vijf? Ja, vijf keer zo weinig ruimte neemt een laptopslaaf in, ten opzichte van een arbeider in een fabriek. En die fabrieken, die zijn er bijna niet meer, althans, niet meer zo veel als direct na de Wende in 1989. Alles weg.

Leegstand is eigenlijk geen thema in Berlijn; het is er gewoon. Tot vorige week, want toen is de Leerstandsmelder online gegaan. Daarop kan iedereen die iets leegstaat, uitzoeken van wie het is en dat online zetten. Doel is transparantie omtrent wat er leegstaat, en om duidelijk te maken van wie iets is. binnen een week waren al 144 objecten op de kaart gezet. Bij sommigen roept de virtueel weergegeven leegstand herinneringen op aan de wilde jaren negentig, toen hordes naar Oost-Berlijn trokken om in de leegstaande woningen en fabrieken clubs, cafés en werkplaatsen te ontwikkelen. Opvallend maar eigenlijk ook niet, is dat Leerstandsmelder laat zien dat vooral Oost-Berlijn ruim bedeeld is als het om leegte en leegstand gaat. Het zet de discussie over het toenemend bebouwen van lege plekken sterk in een ander licht, want als er ergens in Berlijn geen gebrek aan is, is het wel ruimte/leegte; dat laat de kaart goed zien.

Ondertussen gaan de discussies over het wel of niet vragen van een ‘sociale’ grondprijs of gebouwenprijs door het Liegenschaftsfonds. Dat is de club die alle gronden en lege gebouwen die de stad Berlijn toebehoren tegen de hoogste bieder moet verkopen. Dat is hun opdracht, en er kan niet ontkent worden dat ze dit naar behoren doen. Zo verkocht het fonds in 2005 door middel van 633 verkoopcontracten voor 1,5 miljoen vierkante meter aan grond en gebouw. Saldo: 188 miljoen euro. In 2010 zijn 533 contracten getekend, ter waarde van 189 miljoen euro voor 1,1 miljoen vierkante meter grond en gebouw. Tot vorig jaar heeft het  Liegenschaftsfonds sinds 2001 circa 5.500 vastgoedtransacties gedaan van circa 14 miljoen vierkante meter. Daarmee is 2 miljard euro verdiend. Daarnaast haalt het fonds tot nu toe 460 miljoen euro op aan huur van gebouwen die aan het fonds zijn overgedragen. Dat kan bijvoorbeeld een Tempelhof-vliegveldgebouw zijn, dat sinds 2008 leegstaat en sinds 2010 telkens tijdelijk wordt verhuurd aan bijvoorbeeld Bread & Butter modebeurs. In totaal heeft het fonds meer dan 1,7 miljard in de Berlijnse staatskas en 227 miljoen naar de stadsdelen.

Klinkt allemaal prachtig en ook best veel, zelfs voor een cijferdyslecticus als ik. Maar een ding weet ik wel: het Liegenschaftsfonds is een redelijke ramp voor de stadsontwikkeling. In de binnenstad van Berlijn valt dat niet zo op, maar wie eens in Marzahn-Hellersdorf gaat kijken (niemand, want dat doe je amper voor je lol, en toch is het er razend interessant) ziet de gevolgen van de ‘hoogste-bieder-poilitiek’. Namelijk: de ene Aldi naast de andere Lidl verschijnt er, op plekken waar vroeger scholen hebben gestaan. De scholen zijn gesloopt wegens teruglopende aantallen leerlingen en de gronden door het Liegenschaftsfonds aan de hoogste bieders verkocht. Dat is in dergelijke wijken, zonder actieve bewoners, altijd dergelijke firma’s. Die er overigens niet een supermarkt neerpleuren omdat er in de arme omgeving die Marzahn rijk is behoefte aan is, maar om hun marktpositie te versterken. Een bijna vergelijkbaar proces heeft in Amsterdam plaatsgevonden, waar iedere lege winkelruimte als vanzelfsprekend een Albert Heijn werd (waar de gemeente Amsterdam met AH-boter op het hoofd flink aan meegewerkt heeft, overigens). Tegen dit beleid is een aantal architecten en stadsontwikkelaars in opstand gekomen. Zij willen dat de politiek een onderscheid gaat maken voor gebouwen en gronden van de stad Berlijn. Met aan de ene kant ‘commerciële’ prijzen voor partijen die het makkelijk kunnen betalen, en aan de andere kant een ‘sociale’ prijs voor sociale en culturele initiatieven. En dat is lang niet makkelijk. Sinds 2005 hanteert het fonds weliswaar ‘Zwischennutzungs’-prijzen voor gebouwen en gronden waar voorlopig niks mee gaat gebeuren –en dat zijn er nogal wat in Berlijn, niet alleen kwantitatief maar juist ook kwalitatief; wat doe je met een oud vliegveld, bunker of kazernegebouw?- waarbij de Zwischennutzer feitelijk alleen de instandhoudings- en onderhoudskosten hoeft op te brengen, en amper tot geen huur.

Veel lastiger is om te bepalen wat nu sociaal en cultureel is. De club/bar/restaurant Kater Holzig, de vervanger/nieuwe versie van de beroemde afterpartybar 25 ziet er weliswaar bij elkaar geknutseld uit en heel alternatief en rauw allemaal; een hoofdgerecht is er behoorlijk aan de prijs (commentaar op Qype, de Duitse IENS: “Keine Kreativität, nichts Neues, sondern einfach nur die Gier, aus dem Hype der ehemaligen “Bar” weiter Profit zu schlagen, steckt hinter dem Konzept von Kater Holzig) en ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die vinden dat onder een prijzig hoofdgerecht geen sociale grondprijs hoeft te liggen. Ondertussen ruziën de wethouders van financiën en stadsontwikkeling verder met elkaar wat nu een sociale grondprijs is. Opvallend, dat in een stad die vooral door leegte en leegstand gekenmerkt wordt en waar in principe kwantitatief genoeg ruimte is, het uiteindelijk gaat wie waar wat op welke plek moet gaan betalen. Daarmee bewijst Berlijn dat kwalitatief en kwaliteit de kernwoorden zijn voor deze eeuw, en dat kwantiteit er niet toe doet.

De ene lege plek is overduidelijk niet de andere.

 

LEVIES (maart 2012)

Als je echt wilt opvallen in Berlijn moet je een driedelig pak aantrekken, heeft Volkskrantcorrespondent Merlijn Schooneboom eens geschreven. Ik bedoel het niet cynisch, maar ‘alternatief’ staat in Berlijn helemaal niet voor dagelijks naar de biowinkel voor een onbespoten roggebroodje. Dat doet zo ongeveer iedereen. Alternatief is veel meer een lifestyle geworden, een uiterlijke manier van weergeven waar je voor staat. Et voila; vermarktbaar. Daar speelt jeansmerk Levis heel slim op in.

Met de ‘Go Forth’-campagne wordt aangeknoopt bij ‘de kracht van mensen om de wereld te veranderen’. Het Levis-motto luidt: 'These are not easy times, but they are our times. Together there is nothing we can't do - or undo.' Allemaal mooi en aardig. In berlijn heeft de reclame geleid tot een aantal zeer opvallende graffiti-verschijnselen. Deze keer eens niet met een spuitbus, maar met een beitel, en soms zelfs met dynamiet (zie filmpje). Rutger Lemm heeft in zijn artikel Revolutie in Spijkerbroek scherp de achtergrond van deze campagne beschreven, en hoe onder meer de campagne op een nogal ongelukkig moment –met rellend Londen op de achtergrond- openbaar werd gemaakt.

Het is letterlijk een teken aan de wand, dat Berlijn niet meer als stad, maar als concept geverhermarket gaat worden. Daar maak ik me wel eens zorgen over.

REALSTADT

Op de geweldige expositie Realstadt viel me een aantal van de 250 maquettes extra op. Die ga ik hier even aanlichten. Allereerst de maquette Kotti, 2008. Vaste lezers weten genoeg bij het woord Kotti, en hebben langzamerhand wel door dat ik Kott-fan ben (ja, ik ben ook lid op Facebook van de fanpagina: ‘Bei uns am Kotti”) . Kotti is de afkorting van Kottbusser Tor, een metrostation in metrolijn U1 en een van de lelijkste karakteristiekste pleinen van Berlijn. Eigenlijk is het plein een grote rotonde met een betonnen wand eromheen gebouwd. Momenteel hét drugscentrum van Berlijn en zó ontiegelijk lelijk dat het weer mooi wordt, zoiets. De kunstenares Larissa Fassler heeft van de Kotti een prachtige maquette gemaakt. De maquette laat de publiek toegankelijke ruimtes van Zentrum Kreuzberg en de omgeving zien, zoals de in-, uit- en onderdoorgangen van het metrostation van de U1 en U8. Fassler werkt op een heel bijzondere wijze. Want de afmetingen van de maquette kloppen van geen meter. Fassler werkt volgens haar eigen methode van meten: afstanden worden gemeten in het aantal voetstappen; hoogtes in “me + arm + hand”. Voor de maquette van Kotti is de schaal: een voetstap = 3 cm op de maquette. Reken dat maar ’s om.

Naast prachtige maquettes maakt ze ook tekeningen van wat zij allemaal ziet. Ze noteert het aantal personen dat door de voetgangerstunnel van het metrostation lopen, de plekken waar punks rondhangen, de hoekjes waar gepist wordt, de plek waar de illegale Vietnamese sigarettenverkoper zijn pakjes sigaretten neerlegt, maar ook billboards, verkeersborden, treintijden, geparkeerde fietsen en dat alles gelardeerd met hoeveel een biertje, een döner en een currywurst kost en de laatste criminaliteitscijfers. Daarmee is haar verslaglegging van Kotti net zo chaotisch als Kotti zelf. En tegelijkertijd gestructureerd, want ondanks de explosie van indrukken draait de Kotti gewoon 24 per dag, 7 dagen per week door. Het werk van Fassler roept ook herinneringen op aan het werk van Guy Debord. Dit Franse enfant terrible stond bekend om zijn wandelingen/strompelingen door Parijs, watlater uitgroeide in psychogeografische kaarten, waar niet de geografie bepalend was, maar een nieuw systeem van verbindingen en verhoudingen tussen plekken waar hij (beneveld) bijzondere ervaringen opdeed. Deze wandelingen werden een politiek-esthetische stroming: de Situationist International. De Nederlandse kunstenaar Constant heeft dit concept gebruikt om zijn beroemde Nieuw Babylon vorm te geven. Fassler onttrekt Kotti uit de dagelijkse werkelijkheid, om vervolgens die dagelijkse werkelijkheid te beschrijven. Haar tekeningen vertellen het ware verhaal van Kotti.

Andere fascinerende maquettes waren van kunstenaar Jens Reinert. In het geweld van de 250 maquettes viel zijn werk extra op. Architectuurmaquettes zijn prachtig om te zien, maar zijn werk spring er vanwege de simpelheid en kracht direct uit. Hij presteert het maquettes te maken van dingen die je niet kan zien; een soort ‘negatieve’ maquettes. Zoals voetgangerstunnels en parkeergarages. Simpeler kan het niet, maar heel doeltreffend, omdat dergelijke dagelijkse locaties nauwelijks goed bekeken worden. Althans, niet door mij. Door ze te verkleinen en uit de context weg te halen worden ze ineens heel bijzonder. Dat is ook het doel van Reinert; om dagelijkse ruimtelijke fenomenen te verhelderen en te visualiseren.

 

 

UITGAAN

Toeristen komen naar Berlijn voor....geschiedenis, cultuur en.... uitgaan. Daar is zelfs de Berlijnse VVV eerlijk over. Het heeft nog lang geduurd, voordat de stad zelf doorhad welk 'goud''  men in handen heeft met het Berlijnse uitgaansleven. Dat is en blijft een bron van verbazing, verwondering en af en toe jaloezie. Want nergens ter wereld zijn de nachten zo lang, is het uitgaan werkelijk een belevenis en kun je aan de stand van het uitgaansleven de stand van de stad verklaren. Dat wilde uitgaansleven begint uiteraard al in de wilde jaren '20/'30 van de vorige eeuw: de Goldene Zwanziger toen al niets te gek was qua uitgaansleven. Escapisme, hedonisme; je kunt allerlei -ismes op het uitgaan in Berlijn van toepassing verklaren. Je kunt je er pas werkelijk een mening over vormen door het te doen. In mijn Berlijnse jaren heb ik het uitgaan vooral vanuit observatie benaderd. Wat gebeurt waar, en waarom? Wat zegt dat? Wat zijn de trends? En -altijd in Berlijn- wat zijn de tegentrends? Die dan weer trend worden. Veel heb ik gehad aan het geweldige journalistieke werk van Tobias Rapp, die in het boek Berlin, Techno und der Easyjetset een scherp, helder en fascinerend beeld geeft van het Berlijnse (Techno) clubleven. Hij koppelt de ontwikkeling van het Berlijnse clubleven aan de ruimtelijke ontwikkeling van de stad. Hij beschrijft de euforie onder de clubbers, die soms wel drie dagen duurt (met enige chemische sturing, dat wel). Hij beschrijft het feesten, tot je haren licht gaan geven, ofwel: dansen tot de zon opkomt in de vele open air clubs. Hij beschrijft hoe Berlijn al veertig jaar subcultuur is -en hoe dat te blijven-. Compleet met playlist achterin het boek komt telkens een andere clubavond langs, te beginnen op woensdag en eindigend op maandag. Want dinsdagavond is er werkelijk niks te beleven. Zelfs niet in wereldstad Berlijn.

Lost and Sound, Berlin, Techno und der Easyjet, Tobias Rapp, Suhrkamp taschenbuch 4044 (ook in Engels verkrijgbaar)

Andere belangwekkende en interessante boeken die de omslag na 1989 in Berlijn scherp beschrijven:

Der Klang der Familie; Berlin, Techno und die Wende, Suhrkamp taschenbuch 4548 waarin meer dan 50 kopstukken van toen en nu aan het woord komen, over de hilarische tijd na 1989 toen alles kon en niets moest.

Die ersten Tage von Berlin, der Sund der Wende, Tropen taschenbuch met onder meer dat er al Facebook zonder internet in voormalig Oost-Berlijn bestond, omdat alle info over waar welke club tot stand kwam via mond-op-mondreclame werd verspreid. En welke belangwekkende rol de Wohnungsbaugesellschaft Berlin-Mitte heeft gespeeld in het beschikbaar stellen van niet-woonruimte om culturele ontwikkeling te stimuleren. Waardoor de Auguststrasse in Berlin-Mitte zich kon ontwikkelen tot kunst- en galeriestraat.

 

clubben (juli 2014)

Er beweegt zich wat in de stad. Natuurlijk, er beweegt altijd wat. Maar deze ontwikkeling is te bijzonder om niet over te schrijven. Vooral omdat hij moeilijk (overdag) te zien is. Het gaat over uitgaan.

Met zijn urenlange party’s in de open lucht mag het Berlijnse nachtleven zich regelmatig buiten de donkere uren van de nacht begeven; dat het ene type uitgaan vervangen wordt door het andere is moeilijker te zien. Een artikel in de Zitty waar ik op getipt was wees me erop. Dat beschrijft hoe jonge nieuwe Berlijners zelf feestjes organiseren omdat ze de toegenomen mainstream in de bekende clubs zat zijn. Daar (Berghain, Watergate, WeekEnd) overspoelen hordes toeristen de dansvloer. Hetalternatieve, rauwe clubkarakter en de aandacht voor de muziek is er veelal vervangen door de snelle roes en het verzamelen van zoveel mogelijk selfies op de dansvloer. De droom van het wilde Berlijn wordt door deze nieuwe Berlijners nu zelf vormgegeven. Die droom is: tijdelijke plek creëren voor mensen die gezamenlijk en gelijk zijn op een extatische avond. In een sfeer waar elk individu even kan oplossen in de collectieve euforie. Het is vooral de -Europese en- wereldwijde crisis die het partylandschap van Berlijn weer opfrist. Waar vroeger de werkloze Berlijners de wilde feesten organiseerden zijn het nu werkloze Israëli’s, Spanjaarden, Italianen en Chilenen die het heft in eigen hand nemen om in Berlijn de wilde jaren negentigsfeer opnieuw vorm te geven. Iets met oude wijn in nieuwe zakken: de werkloosheid is nu globaler geworden, maar de zucht naar de sfeer van vroeger is gebleven. En zelfs vernieuwing met oude apparaten komt voor. Zo wordt op Mechatronica-parties gebruik gemaakt van analoge synthesizers en omgebouwde Gameboys om de Acid-sfeer in de juiste vorm te gieten.

Een tweede opvallend aspect aan uitgaan in Berlijn is dat veel nieuwe (tijdelijke) clubs zich allang niet meer in de bekende uitgaansgebieden langs de Spree bevinden. Waar Tobias Rapp in zijn prachtboek Berlin, Techno und der Easyjetset het nog had over het ontstaan van de Clubmeile, de clubmijl die van Alexanderplatz tot aan Arena-Badeschiff te vinden was, is deze langzamerhand aan betekenis aan het verliezen. De bekende clubs zijn daar nog steeds, maar zijn inmiddels ‘ontdekt’ en daarmee al snel mainstream. Ik heb het zelf zien gebeuren op het RAW-terrein dat vijf jaar geleden nog redelijk onbekend was en waar nu iedere zaterdagavond ‘Ausnamezustand’ heerst, met hele hordes door bussen aangevoerde ‘Feierwütigen’ die feiern, bis der Arzt kommt”. Ondertussen neemt het aantal dealers er ook flink toe, want de elite weet zelf wel waar ze de verdovende middelen vandaan moeten halen, maar het volk niet.

RAW-terrein Revaler Strasse

De verschuiving naar het oosten is al een tijdje aan de gang. Zo is er Salon zur Wilde Renate; in een op de slooplijst staand pand waarbinnen in iedere kamer een andere sfeer heerst. Of About Blank. Of Sisyphos; ooit vijf jaar geleden per ongeluk begonnen als feestje en sinds twee jaar is het feestje club. Of sinds een jaartje ook Else, een tussen spoor- en autobrug gepropte club waar gezien de locatie niemand last van heeft. Ook de oude tapijtfabriek van Protzer & Sohn op het schiereiland Alt-Stralau is door de lui van club Prince Charles (die aan de Moritzplatz Kreuzberg is te vinden) omgebouwd tot clublocatie en bijzondere biergarten. Alwaar ik op de Cocktail d’Amore-party terechtkwam. Waar het buiten drukker (en minder warm, maar wel weer lichter) was dan binnen.

Of nog verder weg naar Oberschöneweide, waar een van de leukste strandbars Kiki Blofeld (vernoemd naar de dochter van Erst Blofeld, hoofd van misdaadorganisatie SPECTRE -Special Executive for Counter intelligence, Terrorism, Revenge and Extortion- en aartsvijand van James Bond). Niet alleen voormalig oost-buurten als Rummelsburg en Stralau, maar ook Neukölln (was west, maar meest oostelijk gelegen stukje west) komt op als feestplek. Zoals de Griessmuehle, een voormalige pastafabriek, gelegen tussen de S-Bahnring, een steigerbouwer en een APK-plaza. Allemaal oostelijk van het centrum gelegen. Allemaal op plekken waar je overdag onbemerkt aan voorbij rijdt. Toch is er een kenmerk dat veel clubs ongemerkt hanteren: de rechtopstaande, houten ongeschaafde plank. Dat is onbewust een overduidelijk signaal geworden van een plek waarachter zich een geheel andere wereld bevindt. Of het nu nacht of dag is.

 

G.I. disco (juni 2013)

Een wereldplaat vond ik het. En eigenlijk nog steeds. Dat je je keyboard gebruikt als rockgitaar. En dat later gewoon nog een echte gitaar te horen is. Dat strakke half gesproken-half gezongen Duits. Die drums, waaraan je meteen hoort: die zijn elektronisch en zeshoekig, zoals alle drums in die tijd. Met een Animal-achtige drummer, die een partijtje solo gaat waar je U tegen zegt. Dat is Das Blech, van Spliff, uit 1982.

Muziek die me destijds opviel. Muziek die niet de toon zette in de omgeving waar ik op dat moment het meeste was. Dat was muziek van Doe Maar. Dat vond je leuk, niet omdat je het goede muziek vond, maar omdat de meisjes uit je klas dat leuk vonden. Stiekum vond ik funk en disco erg goed. Dat kwam omdat ik in de Bijlmermeer op de middelbare school zat. Een school waar op de schoolfeesten disco en funk (en niet punk en new wave) overheersten. En waar negers swingend op dansten. Nog stiekummer vond ik de bands die de new wave-sound met funk en dansbaarheid vermengde leuk. New Order; of A Certain Ratio. Luister eens naar Flight. Donker, grillig, doem, maar ook funkig, vooral de basgitaar, die kan er wat van. Of The Fox, waar op het eind de trompet het overneemt en je zwevend over mistvelden de duisternis intrekt. En waar de basgitaar nog even overheenfunkt en de drums het ritme aanhouden. In clubs, restaurants en later de disco’s ontmoeten de Amerikanen (Amis zoals West-Berlijners ze noemen) de Duitsers. Vooral de Duitse meisjes, uiteraard. En die wilden wel dansen met die knappe (en vaak zwarte) Amerikanen. Vooral op die nieuwe muziek, die zij helemaal niet van huis uit kenden.

De tentoonstelling geeft breed aandacht aan de invloed van de Afro-Amerikanen. Door Run DMC gesigneerde Adidas-gympen zijn er te zien. De eerste gouden plaat van Silver Convention (Fly Robin Fly) hangt er. Dat was een damestrio dat deels is samengesteld uit Duits-oostenrijkse dames met G.I-wortels (leadzangeres Ramona Wolf was een product van een Duitse moeder en een Amerikaanse soldaat. De tentoonstelling is mede samengesteld door het Berliner DJ-Duo G.I. Disco alias Daniel W. Best en Karsten Grossmann. Niet alles is halleluja op de tentoonstelling. Dieptepunt in dit verhaal is de bomaanslag op de discotheek La Belle in 1986, waarbij twee doden en meer dan 50 gewonden vielen, vooral onder de Amerikaanse soldaten. Libische krachten schijnen achter deze aanslag te zitten. Een plaquette op de muur aan de Heuptstrasse in Berlin-Steglitz herinnert aan dit voorval. De beroemde soldatenzender AFN (van de Amerikanen) via de jukebox tot aan de hip-hop en de rap zijn te horen en te zien. Zo wordt muziek uit zes decennia getoond. Dwars door de tentoonstelling loopt een gele band, waar muzieknummers uit verschillende tijden zijn te horen. En er is een heuse minidisco, waar (kinderen? Maar vast ook volwassenen) zelf de DJ kunnen uithangen. Bij de tentoonstelling is de cd Von G.I Blues zu G.I. Disco verschenen, met muziek van Glenn Miller (in the mood, uit 1939), Terence Trent D’Arby (Wishing Well, uit 1987), Snap! (The Power, uit 1990), Paul Hardcastle met 19, uit 1985; een plaat die insloeg als een bom; de titel sloeg op de gemiddelde leeftijd van Amerikaanse soldaten die in Vietnam door de oorlog zijn overleden. De tekst bestaat uit radioreportages waarin teksten over aantallen en leeftijden worden genoemd). Kortom: een erg leuke en informatieve tentoonstelling. Wie zich verveelt of niet van muziek houdt kan de buurtentoonstelling bezoeken: de permanente tentoonstelling over de geallieerden (Amerikanen, Fransen, Engelsen) zien, compleet met nagebouwde spionagetunnels. Ook kinderen kunnen er zich uitstekend vermaken, bijvoorbeeld buiten bij de Handley Page H.P.67 Hastings; een vliegtuig dat ten tijde van de Berlijnse luchtbrug West-Berlijn van voedsel en kolen heeft voorzien en die die permanent staat opgesteld en van binnen bekeken kan worden. En the real Checkpoint Charlie is er te vinden. Niet dat nepding in de Friedrichstrasse, maar het originele huisje dat in de jaren ’90 met veel bombarie is weggetakeld. By the way: de locatie van het Alliiertenmuseum is bijzonder. Middenin het voormalige hoofdkwartier van de Amerikanen is het museum gevestigd. Het hoofdkwartier, genoemd naar de Amerikaanse generaal Clay: het General Lucius D. Clay Headquarters lag vlakbij het winkelcentrum met de naam Truman Plaza  en de radiozender American Forces Network (AFN). In Dahlem, dat naast Zehlendorf ligt, woonden veel Amerikanen.