Vennenbos

Voor werk was ik een paar dagen in Brabant. Daar vond ik kans om veertig jaar terug in de tijd te gaan. Vlakbij de werklocatie ligt vakantiepark Het Vennenbos. Inmiddels van eigenaar Landal; vroeger van Sporthuis Centrum. Ik ging er kijken. Opvallend weinig is er in die veertig jaar veranderd.

In het zeer fijne Van Tent tot Villa; Het vakantiepark in Nederland 1920- nu, waarin architectuurhistoricus Mieke Dings een zeer uitgebreide geschiedschrijving van het vakantiepark in Nederland doet, wordt aandacht aan de parken van Sporthuis Centrum besteedt. Als in Nederland de grijze jaren vijftig over zijn en in de jaren zestig de welvaartsgroei een sprintje trekt groeit het verlangen naar een vakantie- of tweede huisje navenant. Lang niet iedereen wil of kan zo’n tweede huisje bezitten. Daar wordt door Piet Derksen, de eigenaar van sportwinkel Sporthuis Centrum, slim op ingespeeld. Hij denkt na over vakantieparken met tweede huisjes voor de verhuur. Om de parken aantrekkelijk maar tegelijk efficiënt te ontwikkelen schakelt Derksen architect J. Bakema in, van het bureau Van de Broek en Bakema, onder meer bekend van het ontwerp van de Lijnbaan in Rotterdam. Derksen combineerde de vraag naar tweede huisjes met die naar vakantie. Niet iedereen had zin om urenlang in de auto te zitten, op weg naar een vakantiehuisje in een ander land. Je zou dicht bij huis een comfortabele vakantie mogelijk moeten maken was zijn idee. Zijn samenwerking met Bakema leidde in 1968 tot het eerste vakantiepark van Sporthuis Centrum: De Lommerbergen in Reuver, Limburg.

De kracht van het concept van Bakema zat in de schakeling van de huisjes. Door ze te schakelen bleef er meer bos over. De huisjes kregen aan de tuinkant grote glazen puien, waardoor je altijd op de natuur uitkeek. De schakeling zorgde eveneens voor voldoende privacy, zodat je niets van je buren merkte. Dat had je thuis vaak al genoeg, dat wil je op vakantie niet nog erbij hebben. De Lommerbergen combineerde de luxe van een tweede huisje met die van vermaaksvoorzieningen van vakantieparken: zwembad, sportterrein, horeca en een kleine supermarkt. Dat was voor die tijd echt vernieuwend.

Eerste opzet Het Vennenbos, beeld: Tussen tent en Villa

Eerste opzet Het Vennenbos, beeld: Tussen tent en Villa

Het Vennenbos ontstond op een kavel langs de E3, de snelweg van België naar Duitsland die voor een deel in Nederland ligt. De gemeente Bladel had op het terrein aanvankelijk een industriegebied bedacht, maar bood het aan Derksen aan omdat in dit gebied recreatievoorzieningen aan de behoefte voldeden. Bakema heeft bij Het Vennenbos samen met medewerker Klopma het terrein omgevormd tot natuur met huisjes. Deels is grond afgegraven, waar vennetjes van werden aangelegd. De eenlaagse bungalows liggen, soms met 15 aan elkaar geschakeld, langs de vennen, zodat bijna iedere bungalow uitkijkt op de natuur. Ook al is deze gemaakt. Een simpele eenrichtingsweg waar niet aan geparkeerd mocht worden, in combinatie met de bungalow en het groen leverde een formule op die in andere parken eveneens met succes is toegepast: weg, groen, huisje, groen, water, groen huisje, groen, weg. Het Vennenbos had een centrum met zwembad, danszaal, restaurant, supermarkt, slager, kapper, boetiek (how seventies!) midgetgolfbaan en botenverhuur. Door deze voorzieningen bleven vakantiegangers langer op het park en werd de natuur eromheen niet aangetast, was de gedachte. Daarom vond de overheid dergelijke vakantieparken een prima ontwikkeling, als de dood voor ongebreidelde recreatie als ze was. Er staan circa 500 bungalows op 50 hectare terrein.

De bungalows zelf zijn sober en daardoor tegelijkertijd tijdloos chique. Ze zijn gebouwd van B2-blokken, betonnen stenen die makkelijk op elkaar zijn te stapelen. Het verhaal gaat dat een bouwvakker, staande op zijn speciekuip, de laatste stenen op elkaar kon stapelen, zodat er geen steiger nodig was voor de eenlaagse bungalows. Dat leidde overigens wel tot lage plafonds in de bungalows. Dat plafond bestaan uit zwarte balken, waartussen witte houtwolcementplaten waren bevestigd. Goed tegen brand en goed tegen de klankkast die de bungalow anders zou zijn geworden. Want voor de efficiency was de bungalowvloer volledig bedekt met bruine plavuizen. Zwarte houten delen en eenvoudige kozijnen maakten de bungalows af. De luxe zat vooral in de open haard (want die hadden we thuis niet. Wij hadden centrale verwarming en dachten dat dat al heel modern was), het ligbad en de kleurentelevisie. Stapelbedden en geeloranje gordijnen waren in iedere woning te vinden. Ik herinner me vooral het daklicht boven het keukenblok. En dat die betonstenen flink konden schuren aan je handen en knieën. Waarom herinner ik me dat? Omdat ik 40 jaar geleden eens in zo’n bungalow heb gelogeerd met het hele gezin. Het toppunt van luxe, omdat daarvoor het gezin kampeerde in tenten op de Veluwe.

Hoe ziet het park er veertig jaar later uit? Opvallend fris. De vondst van de geschakelde bungalows is en blijft briljant. Geen inkijk naar de buren, 100% uitkijk op het groen. De bungalows vond ik wel klein, maar al spiedend op Landal,de huidige eigenaar van het park, zie ik dat ze inderdaad niet groot zijn: 57 vierkante meter voor vijf personen. Hoe kleiner de huisjes, hoe meer natuur er overblijft, was de gedachte van Bakema. En je ziet wat het is, geen opsmuk, geen tierlantijnen. Het huisje mocht niet liegen van Bakema. Zelfs de oranjegele gordijnen waren er nog te vinden. En het raampje naast de schoorsteen, op kinderhoogte aangebracht.

De gedachte was: veel groen, veel rust maar ook recreatiemogelijkheden in het centrum. Bakema hield zelfs nauwlettend in de gaten of de infrastructuur niet teveel herinnerden aan de stedelijke thuiswereld. Het asfalt van de wegen werd daarom grover dan dat in de stad, het straatmeubilair en de bruggetjes werden van hout gemaakt.

Het centrum, waar ik als kind naar het zwembad ging, midgetgolf speelde en zowat iedere avond van de nouveauté van dat moment –softijs- mocht genieten was wel aangepast aan de eisen van de vakantieganger van nu. Er waren meerder horecazaken te vinden (die waarschijnlijk allemaal vanuit een keuken worden bevoorraad, maar het gaat om de illusie dat je een week lang gevarieerd uit eten kan). Het subtropisch zwemparadijs was er nog steeds. Omgeven door veel groen, veel planten die niet plastic maar echt waren. De speelhal vol gokautomaten was het enige smetje op mijn herinnering. Dat gaf een armoedige uitstraling. Maar een park als Het Vennenbos is bedoeld voor mensen met een kleine beurs.

Er viel me nog iets op. Geen een woning heeft een privétuin. De bungalows hebben allemaal een terrasje met plastic tuinstoelen en dan BAM! meteen natuur. Ze deden me denken aan de Meisterhäuser in Dessau, die ten tijde van de Bauhaus-beweging zijn gebouwd. Deze modelwoningen van de Bauhausbeweging staan ook ‘plomp’ in het bos en dat maakt de overgang tussen woning en natuur vloeiend. Ik ken voorbeelden uit Scandinavië waar op een dergelijke manier woningen in de natuur staan. Erg mooi.

Dit park heeft nog steeds de kwaliteit van toen. Bakema gebruikte de ontwikkeling van vakantieparken om te experimenteren met woningbouw. Vakantieparken als deze laten zien dat mensen best bereid zijn om de auto niet voor de deur te parkeren, om klein maar efficiënt te wonen, om natuur dicht bij huis te krijgen. Deze parken zijn inspiratiebron geweest voor menig ‘gewone’ woonwijken. Moge deze vakantieparken anno 2017 wederom tot inspiratie dienen, nu de discussie over nieuwe woningen bouwen zich vernauwt tot "verdichten in de stad' versus 'uitbreiden op het zand/in de polder'. het boek De Recreatieve Stad, een uitgave van het ministerie uit 1979 roemt Het Vennenbos als goed voorbeeld van recreatie in het groen: "een voorheen saai productiebos werd veranderd in een 'natuurlijk' bos, door plaatselijk dennen te kappen en loofhout te planten".

recreatieve

Tip: boek eens een week vakantiepark en laat je inspireren.

Treurdier

Een vrijdagavond, op weg naar de Night of the Problems. Een voorstelling van Circus Treurdier. De groep is bekend van de serie van Treurteevee. Met daarin rollen voor het onvolprezen Koenijn, de kettingrokende Jolanda, de oversekste Uusbief en schmierende kwismaster Frederik Kaak. Die in de Gehaktstraat naar de snackbar gaat.

Al grappenmakend op de fiets naar de locatie van de voorstelling. Die is buiten de Amsterdamse ring A10. Dat is voor het theaterbezoekgroepje een groot avontuur. Dat de mentale afstand mijlenver groter is dan de fysieke, merk ik als ik een van de vrienden moet afremmen om nog verder dan station Lelylaan te fietsen. “Ik dacht dat het veel verder weg was!”. Maar dat is het niet. In de aula van Broedplaats Lely voert Circus Treurdier de Night of the Problems uit. Die aula is slechts iets meer dan een kilometer meter verwijderd van de uitgang Amstelveenseweg van het Amsterdamse Vondelpark. Dat zelf hemelsbreed bijna twee kilometer lang is.

Christelijke scholengemeenschap Pascal. Foto: Beeldbank Amsterdam / Arsath Ro´is 1971

Christelijke scholengemeenschap Pascal. Foto: Beeldbank Amsterdam / Arsath Ro´is 1971

Broedplaats Lely zit (tijdelijk) in een prachtige oude school van architect Ingwersen; de voormalige Pascal-school uit 1964. Wie hip wil eten, uitgaan of naar theater ontkomt er in Amsterdam bijna niet aan in een Ingwersen terecht te komen. Dat klinkt als een bedreiging, maar is het niet. Deze architect heeft, vooral in de jaren vijftig-zestig, Amsterdam verrijkt met een aantal zeer mooie schoolgebouwen. Duidelijk geïnspireerd op de architecturaal van le Corbusier gebruikt hij veel bruut beton en glas. Dat maakt deze panden zeer licht. Ingwersen was productief; hij bouwde zestien scholen voor Amsterdam.

Nu veel van deze oude schoolgebouwen niet meer als school gebruikt worden zijn ze geschikt voor andere functies. Het meest bekende Ingwersengebouw is nog steeds school:  Het Schip uit 1956, nu het Cygnus Gymnasium aan de Wibautstraat. Prachtig gerenoveerd. Bekend is ook Autopon aan de Overtoom. Geen school maar kantoor. Waar nu sportclub David Lloyd is te vinden. Beide binnen zijn oeuvre overduidelijk op le Corbusier geïnspireerd. Iets minder bekend, maar veel bezocht is ook De School in de Jan Evertsenstraat, de opvolger van Club Trouw. Hier huisvest het voormalig schoolgebouw de grote 2e Christelijke LTS nu een club, restaurant, café, sportclub en kantoorruimte. Ook hier een helder en licht gebouw, dat het optimisme van de jaren zestig uitstraalt. Ook bijna zestig jaar later.

Broedplaats Lely aula schrootjesVincent Kompier

De aula van Broedplaats Lely was nu plek voor de Night of the Problems. Een prachtige ruimte, met golvend dak. We zaten op plastic hartmanstoelen, gegroepeerd rondom een koelbox, waar je je als theaterbezoeker zelf je drankje uit kon serveren. Dat alles onder een prachtig schrootjesplafond. (let op: ik voorspel de terugkeer van het schrootje). Voor aanvang voorstelling starend naar het plafond deed het me denken aan een bericht in Het Parool waar een koper van een grachtenpand op de vingers was getikt omdat zij het monumentale plafond tegen de regels in er uit aan het slopen was. Grachtenpanden worden altijd geroemd omdat ze zo flexibel zijn, en zo goed met hun tijd meegaan. Als je zoiets leest betwijfel je dat. Zijn oude scholen, zoals deze van Ingwersen, niet veel flexibeler? Ze hebben een ruime maat, je zit er niet, zoals overal in de Amsterdamse binnenstad, op elkaar lip als je binnen bent. En ze programmeren mer dan alleen wonen in een buurt. Zo neemt de Appel Arts Center ook zijn intrek in Broedplaats Lely.

Naast Broedplaats Lely is de woontoren Little Manhattan in aanbouw, pal naast station Lelylaan. 869 woningen in één gebouw. Los van de vraag of je een woontoren in Amsterdam Little Manhattan moet noemen –Manhattan is geen wolkenkrabber, maar een eiland. Alsof je in New York een woontoren bouwt en ‘m dan Groot Marken noemt. Maar misschien riep High Amsterdam als naam voor de woontoren verkeerde associaties op- geeft zo’n oude school identiteit in een buurt in tijden van snelle veranderingen.

little manhattan Vincent Kompier

Amsterdam groeit als kool, overal wordt gebouwd. Dan zijn dergelijke oude schoolpanden (al dan niet tijdelijk) houvast in een snel veranderende omgeving. Nu Amsterdam sterk inzet op woningbouw middels Koers 2025 zou je willen dat de niet-woonfuncties in bijzondere architectuur worden uitgevoerd. Dat wonen komt er wel.  Dat niet-wonen, zoals scholen, zijn de krenten in de woonpap. Daar is de gemeente inmiddels ook achter; zie: herziening.

Broedplaats Lely. Foto: https://www.broedplaatslely.nl/

Broedplaats Lely. Foto: https://www.broedplaatslely.nl/

En de voorstelling zelf? Daar verklap ik niet veel over. Dat laat ik aan de recensent over, die achter me zat. Behalve dat Abdul achttien wordt, op reis gaat, veel tegen komt: van een alcoholische indianenstam met uitsterven bedreigd tot aan onheilsprofete Cassandra (“Ik heb twee namen; mijn vader heet Cas en mijn moeder Sandra”) die een pittige monoloog houdt over de klimaatverandering en het effect op de toestand in het westen. Er viel een lamp om. Een bezoeker zakte door zijn Hartmanstoel. We aten insecten in de pauzes. Waar in het begin door het aulagevoel de voorstelling schooltoneel leek te worden bleef dat gelukkig achterwege. Zo te zien waren er geen mensen gekomen die daadwerkelijk een circus hadden verwacht.

Na afloop fietsten we terug. Dwars tegen de noordoostenwind in, die Amsterdam een verfrissende landgeur bracht. Weer door het Vondelpark, waar het rond half twaalf ’s avonds drukker met fietsers was dan rond achten. Allemaal Amsterdammers. Op zoek naar bier, vertier en plezier. Desnoods voor één nacht.

Problemen? Die komen vast later in de nacht nog wel. Nu was hij nog jong.

Night of the Problems is nog tm 1 april in Amsterdam te zien. Daarna tournee.

 

Probleemplint

Geen flauw idee hoe het bij u thuis is, maar bij mij is het een probleem. Sterker: het is een probleem dat mij gedurende mijn glanzende (not) wooncarrière blijft achtervolgen: de plint. Vroeger, toen familie Kompier -net als alle andere buren- overging op echt parket in plaats van kamerbreed tapijt in de doorzonrijwoning, bleek de juiste plint uitzoeken al een probleem. Om het parket proper te leggen diende de bestaande witgeschilderde plinten vervangen te worden. Die bakenden het mooie nieuwe eikenparket af al was het een rouwkaart. Weg dus met die witte plint! Maar die liet zich niet zomaar verwijderen. Het wegslopen leverde grote gaten op in de betonnen muur. Op plekken waar de plint wel mocht blijven was er de redding in de vorm van de echt-hout overzetplint, die zich elegant over het bestaande witte plintje plooide. Alsof de dagelijkse kloffie bekleedt werd met een chique jas. Deze overzetplint bood ruimte voor de telefoon- en coaxkabel die nu niet op, maar achter de plint gemonteerd kon worden. Schijn bedroog. Want waar op rechte stukken de overzetplint prachtig bij het nieuwe parket paste ging het in de hoeken flink mis. Nog jarenlang heeft mijn moeder bij iedere stofzuigbeurt stukken hoekplint uit de stofzuigerslangmond moeten bevrijden. Die kwamen daar telkens klem te zitten, omdat ze niet aan de rest van de plint vastzaten. Want lieten zich niet vastspijkeren. Vele woningen en plintproblemen verder heb ik bij de laatste vloerrevisie een radicale beslissing genomen. De plakplinten, die na een jaar spontaan loslieten en bij langslopen zich wanhopig vastklampten aan sloffen en schoenen, zijn nu stevig vastgeniet aan de houten vloer. Met als gevolg dat ze feestelijk meebewegen met die vloer, als die aan de wandel gaat. Zodat er tussen muur en mooi vastgespijkerde platte plint een gat ontstaat. Vooral in trek bij grote vlokken stof.

Oostelijke Handelskade Amsterdam IJ-toren

Oostelijke Handelskade Amsterdam IJ-toren

Plintprobleem: van woning naar stad

Die huiselijke plintenproblematiek is haarscherp terug te zien op de schaal van de stad. Ook daar blijkt het telkens weer een probleem hoe een goeie plint te ontwikkelen. Er wordt wat afgetobt in plintenland, want makkelijk was -en is- het niet. En dat zal in de toekomst zeker niet makkelijker worden. Waarom niet? Omdat veel steden aan het bouwen zijn geslagen. De vraag naar woningen is groot. Dat betekent dat gebouwen van twee of minder verdiepingen vervangen worden door nieuwbouw. Op andere plekken, waar nog wat rafelige restruimte lag te verslonzen, wordt flink verdicht en bebouwd. Op zich een goed streven, ware het niet dat wonen het minst stedelijke element is om toe te voegen En dat heeft uitstraling op de begane grond: de plint. Want wat vereist een woontoren van een plint? Niet meer dan een simpele in/uitgang; de ene voor mensen, de andere voor auto’s. Probleem is dat torenontwikkelaars vaak woningontwikkelaars zijn die weinig kennis hebben van niet-wonen. Programmatisch blijft de plint dan hangen op het wonen. Architecten bekommeren zich sterker over hoe de toren zich in de lucht kan onderscheiden van andere torens dan om de plint.

Het is net als bij de mens. Die geeft ook meer aandacht (lees: geld) uit aan gezicht en kapsel en veronachtzaamd zijn voeten. Jammer, want zonder voeten kom je nergens. Dat geldt eveneensvoor (toren-)bebouwing zonder goede plint. Programmatisch gaat het dus vaak fout; in plinten van woontorens wordt slechts alleen een entree gemaakt. Geen ander programma als winkels of kantoren. Die entree op plintniveau is vaak miezerig. Niks royaals, want dat scheelt weer vierkante meters die meer opbrengen als woning dan al luxe, hoge entreehal. “In de grote gebouwen verraadt de kaalheid van de entreehal en de afwezigheid van een conciërge toch weer dat de allure alleen aan de buitenkant zit“ (Paul Schabel in: Uitgebreid Amsterdam 50 jaar Amsterdamse Raad voor de Stadsontwikkeling 2007). Nederlandse architecten zijn gespecialiseerd in efficiënte plattegronden. En efficiënt en allure hebben een slecht huwelijk.

IJ-toren Oostelijke Handelskade Amsterdam

IJ-toren Oostelijke Handelskade Amsterdam

Wat in ieder geval ook niet helpt, is dat (woon-)torens in Amsterdam vaak incidenteel, zonder enig verband met de omgeving worden neergezet. Een succesvolle plint is afhankelijk van dichtheid. Dus pas met meer torens bij elkaar. Hoe dat goed fout kan gaan laten torenplinten in het Oostelijk Havengebied in Amsterdam zien. Daar is volgens het masterplan een aantal hoogteaccenten gepland, die vooral ver uit elkaar staan. Wellicht op de schaal van de stad of de regio een prachtig beeld, maar de stad en de buurt hebben er niets aan. De toren op KNSM-eiland spant daarbij de kroon. Hier bestaat de plint van de toren uit een parkeerplateau, deels verdiept, deels boven de grond. De interactie met de omgeving is nul.

Skydome aan de KNSM-Laan Amsterdam

Skydome aan de KNSM-Laan Amsterdam

Maar ook de IJtoren aan de Oostelijke Handelskade, die nota bene deel uitmaakt van een winkelcentrum, waarvan je toch zou verwachten dat het in potentie een levendige plint op zou kunnen leveren, is levenloos. Zo dood als een pier. Het bloemenstalletje dat er voor gezet is benadrukt alleen maar dat deze plint als klaagmuur uitstekend functioneert. Als plint niet. Toegegeven, een goeie plint bakken is lang niet makkelijk, maar doe tenminste je best. Dat schijnen ze in Utrecht ook niet te doen, gezien het advies bij hoofdpijndossier Hoog Chaggerijne. Daar wil een goede, levendige plint ook maar niet tot stand komen. In een gebied waar in potentie tienduizenden per dag langslopen ben je als opdrachtgever (en architect) aan jezelf en de stad verplicht het onderste uit de kan te halen, als geste naar de stad en haar inwoners.

Tekening van Hoog Catharijne bij het Smakkelaarsveld met opgehoogde plinten; bron: DUIC

Tekening van Hoog Catharijne bij het Smakkelaarsveld met opgehoogde plinten; bron: DUIC

Toen dood, nu dood?

 Het is uitermate teleurstellend om te zien dat deze dodeplintenbijtorens-trend zich anno 2017 hardnekkig doorzet. Twee recent in aanbouw genomen torens in Amsterdam Nieuw West boren alle hoop op een mooie, goed functionerende plint de grond in. De toren Little Manhattan, naast station Lelylaan, doet net alsof hij overal had kunnen staan. Terwijl een station toch veel verkeer en nota bene wandelaars oplevert. De intentie om te verdichten rondom stations; daar kan niemand tegen zijn. Maar mag er dan meer aandacht naar een goeie plint geschonken worden? Een tweede toren Change=, niet ver daar vandaan, durft het zelfs aan om op straatniveau te volstaan met een compleet paars gekleurd vlak zonder enig leven.

Little Manhattan, naast station Amsterdam-Lelylaan

Little Manhattan, naast station Amsterdam-Lelylaan

Extra pijnlijk is dat in de discussie over de bestaande bebouwing in Nieuw West de dode plinten van de bestaande bebouwing als probleem worden gezien. Wat heeft het dan voor nut om deze omissie van levendige plinten met nieuwbouwextra te benadrukken? Opdrachtgever en architect zullen de kritiek van zich afwerpen (ik moet toegeven dat beide torens op de begane grond -beperkt- delen hebben waar de gevel wel open is naar de straat, waar ten minste de mogelijkheid met interactie met de straat mogelijk is). Maar je zou toch verwachten dat torens die op de begane grond staan aan alle kanten een aantrekkelijke onderkant hebben? Nu ogen biede projecten als een dikke middelvinger naar straat en stad.

Litte Manhattan, Amsterdam Lelylaan

Litte Manhattan, Amsterdam Lelylaan

Woontoren Change= aan de Postjesweg Amsterdam

Woontoren Change= aan de Postjesweg Amsterdam

Plintenrecept?

Naast oorzaken is wellicht een aantal oplossingen aan te dragen. Of ooplossingen... eerder handreikingen wat je kan doen om je in te zetten voor een levendige plint. Een van de clubs die zich met plinten bezighoudt is The City at Eye Level. Deze organisatie is er van overtuigd dat de kwaliteit van de openbare ruimte de ruggengraat van een duurzame stad is. Plekken waar je –intuïtief- langer wilt verblijven, interactie op de schaal van de straat, tussen gebouw en straat, het eigenaarschap én goede plinten zijn daarvoor voorwaarden. De City at Eye Level-idee is om dit te bereiken door meer in te zetten op wat mensen willen, in plaats van programma’s van eisen voorschrijven. Het heeft geresulteerd in een boek, dat is te downloaden. Daarnaast organiseren zij een programma, om daarmee over de hele wereld steden te verbeteren. In het boek wordt een aantal tips gegeven om een goede plint te maken. Allereerst: kijk niet naar steden als Barcelona, Milaan, Berlijn of Vancouver, zoals recentelijk gedaan is voor de geplande hoogbouwbuurt-met-levendige-plint Steigereiland in Amsterdam. Iedere stad heeft zijn eigen kenmerken. Die kenmerken zijn uitermate bepalend waarom de plint wel of niet functioneert. Barcelona en Berlijn zijn beiden megadicht bebouwd. Veel woningen ontberen buitenruimte. Daarvoor verwordt de straat automatisch tot halve huiskamer, met levendigheid als gevolg. Alleen al de fysieke voorwaarden voor een goede plint (hoogte, breedte en diepte) stellen specifieke eisen en kunnen lang niet altijd financieel opgebracht worden. Het programmeren van een goede plint komt hierna. Zonder programma dat op de plek past is een plint gedoemd te mislukken.

The base of Melbourne, Australia’s Council House 2 adds to life on the street; bron: PPS.org

The base of Melbourne, Australia’s Council House 2 adds to life on the street; bron: PPS.org

Straatjutten

Goed kijken kan helpen. Kijken op het niveau van de straat. Hoewel ik helemaal niet zo’n Jane Jacobsadept ben is een wandeling genaamd Jane’s Walk een goede manier om de bestaande en potentiële kwaliteiten van plinten in de stad te zien en ontdekken. Op 5, 6 en 7 mei 2017 wordt er een dergelijk walking event gehouden, tegelijkertijd met meer dan 150 steden over de hele wereld.  Wat ik Jane moet nageven is dat zij zeer scherp ziet hoe stadsbewoners en gebouwen beter met elkaar verbonden kunnen worden. Essentieel voor de stad van nu, zeker nu steeds meer (jonge) mensen naar de stad trekken. Die doen dat niet om bovenin hun woontoren te gaan zitten achter de spreekwoordelijke geraniums. Die gaan en willen de straat op, om van de stad en het leven in de stad te genieten.

Ook de ideeën van PPS.org zijn interessant om als plintontwerper of plintontwikkelaar kennis van te nemen. PPS staat voor Project for Public Spaces, en houdt zich bezig hoe de openbare ruimte te (re-)activeren. Ook bij hun methode hoort goed kijken. Zo is hun stelling dat een openbare ruimte die als prettig en veilig ervaren wordt, meer vrouwen dan mannen telt. Denk goed na wat je met de plint zou willen. Beschouw het niet als louter fysiek te bouwen ruimte die na oplevering als vanzelf een levendige plint gaat opleveren, maar begin op tijd met een visie, aldus planoloog en bedrijfskundige Jos Sentel. Ook hij ziet goed kijken als belangrijk instrument, ofwel ‘straatjutten’ zoals hij het toepasselijk noemt. Er kan niet volstaan worden met al te simpele oplossingen. Natuurlijk kan de gemeente een extra hoge begane grondverdieping verplicht stellen. Maar dat is slechts het halve werk. Een inflexibel juridisch bestemmingsplan kan de multifunctionaliteit van die mooie hoge begane plint compleet teniet doen. Een goed functionerende plint uitdenken vraagt om genuanceerde aanpak en oplossingen. Dat nuanceren kost denkkracht en tijd. Dus ook afdeling juridische zaken van gemeenten dienen in te zien dat die levendige, gezellige, goed functionerende stad pas tot stand komt als de juridische- en bestemmingsplanvoorwaarden daar ruimte voor bieden. Kortom: een woontoren bouwen is playing solitaire, maar een goeie plint is een gezelschapsspel.

plint vincent kompier

Nu maar hopen dat architecten, opdrachtgevers en welstandscommissies zich meer gaan inspannen om betere plinten te maken dan nu worden gemaakt bij het verbouwen en verdichten van steden. Dat is in belang van de stad, haar bewoners, de vastgoedwaarde van het pand en voor de hele wereld.

Wie alsnog af en toe mocht vergeten dat een goed functionerende plint essentieel is raad ik aan om regelmatig een dosis Marlene Dietrich te luisteren.

Verdwijnstraat

Vincent Kompier leeg huis

Een jaar. Plus drie dagen. Dat is de tijd dat mijn Berlijnse woning, waar ik zeven jaar lang in gewoond heb, leegstaat. Bizar. Zeker in een stad waar de woningvraag (nee, ik schrijf –nog- niet: -nood) groot is. Opvallend, dat jaar leegstand. Want deze woning ligt in een buurt die als populair wordt beschouwd: Friedrichshain. Een voormalige Oost-Berlijnse buurt, die na de Wende van 1989 in rap tempo populair werd. De ene na de andere kroeg opende er. Het stadsdeel juichte de terrassengroei toe. En mijn straat werd aangeprezen als ‘typisch Oost-Berlijn’ (whatever that may be).

Bijzonder, die verjaardag van mijn lege woning. Die exact plaatsvond in de week waarin ruim 2.000 fashion-, ict-, communicatie-, media- en multimediastudenten van de Faculteit Digitale Media en Creatieve Industrie (FDMCI) van de HvA in Amsterdam aan de slag gingen met de kreet ‘Amsterdam als pretpark?’. Daartoe was een College Tour opgezet. Daar werd ik geïnterviewd over mijn ervaringen met toerisme in Berlijn. Beleid, strategie, groei, overlast, functie: alles kwam aan bod. Kon ik het weer eens ongegeneerd over mijn favoriete boek Berlin, Techno und der Easyjetset hebben. En over het ijzersterke The Tourist City Berlin.

Vincent Kompier leeg huis 2

Toevalligerwijs verscheen dezer dagen ook een verhaal in Vrij Nederland dat hieraan gerelateerd is. Daar ging het over het verdwijnen van een Berlijnse straat. Op aandringen van een raadslid van deelgemeente Friedrichshain-Kreuzberg is die Simon-Dach-Strasse verwijderd uit een toeristenapp . "Mijn" ex-straat is niet langer onderdeel van de ‘Geheimtipps’ voor Berlijn. De app ‘Going Local Berlin’ die door de stad Berlijn is opgezet raad de straat niet meer aan.

Een overheidsinstantie die iets als Geheimtip aanraadt moet je natuurlijk sowieso met een dikke korrel zout nemen. Een echte Geheimtip was het al lang niet meer. Zowat de hele wereld is er al een keer geweest. En daarna meestal niet meer. Want het is een Saufmeile, een straat met vooral middelmatige kroegen. Uitstekend geschikt voor bedrijfsuitjes, studentengroepjes en vrijgezelhellenparties. Niet voor je dagelijkse borrel. Net als veel andere horeca in grote steden bijna allemaal in één hand qua eigenaar. Met einheitswurst als gevolg.

Dat ‘succes’ van Friedrichshain; dat hippe 'echte' Oost-Berlijn; 't is een beetje over. De drugsdealers die uit het Görlitzer Park zijn verdreven zijn neergestreken op het RAW-terrein, aan het einde van de Simon-Dach-Strasse. Kortom: de buurt is lang niet meer zo gezellig, veilig, gemoedelijk als vroeger. Met huurdempend effect. Er treedt op wat de kranten in Berlijn laatst al schreven: Paradoxe Entwicklung: In beliebten Kiezen sind die Mieten so stark gestiegen, dass sie keiner mehr bezahlen will. Also sinken sie wieder. Die Menschen weichen an den Rand des Kiezes aus. [Vertaling: Paradoxale ontwikkeling: in geliefde buurten zijn de huren zo sterk gestegen, dat niemand ze meer wil betalen. Met als gevolg dat ze weer dalen. Mensen wijken uit naar de randen van de buurt]. Edoch: onze (sorry, maar dat speelt een rol: Beierse) huisbaas wil niet de huur verlagen, want hij heeft niet door dat de buurt allang niet meer hip is.

Vincent Kompier leeg huis 3

Die ontwikkeling zal op huurwoningen vast een sterker effect hebben. Als je het ergens niet bevalt kan je sneller weg dan als je een koophuis hebt. Die dynamiek is misschien lang niet voor iedereen even leuk, maar aan de andere kant houdt die dynamiek de levendigheid van de stad wel in stand. Koop dempt dynamiek. Daar ben ik van overtuigd. En stelt dus vragen bij het alsmaar stimuleren dat iedereen een huis moet kunnen kopen. Al ben je zelfs pas achttien.

Dit alles mag u misschien als een valse afrekening klinken. Als een gemene poging eventuele Berlijnheimwee van mijn kant al schrijvende de kop in te drukken. Maar ik zweer u dat dit ’t niet is. Berlijn verandert gewoon zo snel, dat dit soort dingen gebeuren. Opgenomen in het wereldwijde toeristenweb, met dit tot gevolg: geldgierige eigenaren die helemaal niet doorhebben dat de buurt allang niet meer hip is. En woningen voor niks een jaar laten leegstaan.

Verdraagzaam

Vincent Kompier Samenwerking

De dag na de aanslagen in Parijs op vrijdag de dertiende namen we vanaf de Overtoom tram 1 naar Osdorp. Want Osdorp is rolstoelvriendelijker dan Oud-West. Per ongeluk vergaten we uit te stappen bij halte “Meer en Vaart” die het dichtst bij het winkelcentrum Osdorpplein ligt. Dan maar de volgende halte. Bij de halte “Louis Davidsstraat” waren we de enige die de tram verlieten. In de stoep bij het oversteekstoplicht was een 30 bij 30-stoeptegel gelegd met daarop een afbeelding van een rolstoel. Dat begon goed.

Louis Davidsstraat, 1981 - foto: archief dRO Amsterdam

Louis Davidsstraat, 1981 - foto: archief dRO Amsterdam

Aan de overkant van de oversteekplaats rolden we verder. Hier hadden straten namen als: “Verdraagzaam”, “Geduld” en “Overleg”. Ik dacht terug aan begin jaren negentig toen ik voor een studieopdracht de Middelveldsche Akerpolder mocht onderzoeken. Deze polder was midden jaren tachtig na felle debatten tussen de dienst Ruimtelijke Ordening en de dienst Volkshuisvesting alsnog bebouwd. Ik ging er altijd op de fiets heen, vanaf het Singel tot aan de Akerpolder. Dertig minuten stad, via de Kinkerstraat, Postjesweg, Christoffel Plantijnpad. Toen al verbaasde ik me over deze straatnamen. “Inzet”, “Volharding” en "Verdraagzaam". Alles met elkaar verbonden via het “Dwaze Moedersplein”.

Dwaze Moedersplein, mei 1981, foto: archief dRO Amsterdam

Dwaze Moedersplein, mei 1981, foto: archief dRO Amsterdam

Daar staat nieuwbouw uit midden jaren tachtig. Neergezet omdat de Cornelis Lelylaan toch niet is doorgetrokken tot aan de A9. Destijds heette dergelijke nieuwbouw “aanvullende woningbouw”. Zo ziet het er ook uit. De gebouwen waren vier lagen hoog en bestonden uit gemetselde stenen muren met witte, dikke plastic kozijnen. Ze hadden hier die beroemde non-steen gebruikt: niet geel, niet groen, niet grijs. Maar van dat alles de net-niet-kleur steen. Ook in de jaren tachtig kampte Amsterdam met een woningtekort. Eigenlijk kampt Amsterdam altijd met een woningtekort. Via “Geduld” rolden we verder naar het Osdorpplein.

Vincent Kompier Geduld

Daar aangekomen stond een Sinterklaas met het grootste Amsterdamse accent ooit op een geïmproviseerd podium door een sterk echoënde microfoon het handjevol toegestroomde publiek toe te spreken. Er liepen zwarte- en roetpieten rond. Weinig toeschouwers leken geïnteresseerd. Op een afstandje stond een groepje politiemannen gespannen toe te kijken. Er was geen protesterende menigte te bekennen. Geen actievoerders te zien. De enige actie was hier de Action. Passanten hadden meer aandacht voor de koopjes bij de Hema.

Osdorpplein, 1981, foto: archief dRO Amsterdam

Osdorpplein, 1981, foto: archief dRO Amsterdam

Op Tussen Meer at ik een te koud broodje haring. Daarna rolden we verder om in café restaurant De Serre koffie te drinken. Het personeel was heel vriendelijk en hield de deur voor ons open, ook al waaide het als een tiet. Binnen keken we naar passerende winkelende mensen. “Osdorp is het Wedding van Amsterdam” stelde ik vast. Gewone mensen, in gewone kleren, met gewone boodschappentassen op een gevaarlijk gewoon lijkende zaterdag. Het Berlijnse Wedding. Een wijk die zo gewoon is gebleven dat er eenmaal per jaar een glossy over de wijk wordt gemaakt. Zo’n glossy zou Osdorp ook niet misstaan.

“Glosdorp” klinkt best gaaf.

Tussen Meer Vincent Kompier

Terug op de Overtoom ben ik de rest van de tocht naar huis gaan lopen. Bij Maison Descartes stond buiten op de stoep voor de ingang een vrouw -type Française, met zo’n knot op haar hoofdhaar- met twee nepvleugels op haar rug gebonden. Ze hield een bord vast waarop iets stond over 'hypocrisy' wat ik niet kon (of wilde) lezen. Ik liep verder. Voor me liep iemand die een sweater droeg waar op de achterkant “BLOED SERIEUS” stond, met daarnaast een gestyleerde druppel. Bij het wilde landje achter Artis schreeuwden twee laatste dahlia’s de herfst van zich af: “ik ben ROOD” en: “ik ben CITROENGEEL”.