Lelyschatje

Lelystad vincent kompier

Om de kouwe drukte in (en over) Amsterdam te ontwijken, toog ik een dag voor oudjaarsdag 2016 naar Lelystad. Wat is er over van de grote idealen voor deze jarige polderstad?

Direct uit het station loop ik het winkelcentrum in. Het terras tussen de winkels staat te blaken alsof het helemaal geen twee graden en grijs miezerweer is. “Forgive me my depression kills me” staat op een dichtgemetselde muur gekalkt. Op de achtergrond klinkt accordeonmuziek, maar ik kan de straatmuzikant nergens vinden. Winkels heten hier: “Outlet”, “Opheffingsuitverkoop!” of: “Op=Op Voordeelshop”. Ik loop langs goedbedoelde winkels over goedbedoelde bestrating. Hoe langer ik loop, hoe meer mijn wandeling een tijdreis wordt langs verschillende architectuurconcepten en -stijlen.

Lelystad zilverpakkade vincent kompier

Aan de rand van het winkelgebied stuit ik op de Zilverparkkade. Dat is het paradepaardje van Lelystad, waar onder supervisie van West 8 een poging is gedaan Lelystad op te stoten in de vaart der volkeren. De dichte en hoge bebouwing staat verdwaasd richting de halflege polderomgeving met daarin het Flevoziekenhuis te staren. Dat is welbekend van de ziekenhuissoap Medisch Centrum West uit de tachtiger jaren van de vorige eeuw. Ach, wie herinnert zich niet de eeuwige vetes tussen dokter Simon Neerings en Erik Koning? Of de lieftallige verpleegster Reini en de altijd boze Suzanne Lievegoed. Aan de Zilverparkkade is geen gevel hetzelfde. Bureaus met klinkende namen als EEA, René van Zuuk, Tekta, Meyer en Van Schrooten, Juli, SeARCH en De Zwarte Hond hebben hier allemaal erg hun best gedaan iets bijzonders te ontwerpen. Het euvel van overdreven karakteristieke architectuur laat zich scherp zien: het ziet er totaal gedateerd uit.

IMG_4980.JPG

Om de hoek van de Zilverparkkade ligt aan de rand van het centrum het Combinatiegebouw. Onmiskenbaar een gebouw van Loerakker, Rijnboutt, Ruijsenaars en Hendriks. Vergelijkbare architectuurkenmerken met gebouw Hoptille uit de Bijlmermeer. Dat heb ik begin jaren tachtig gebouwd zien worden (en drie jaar na oplevering gerenoveerd zien worden wegens onhandelbare sociale problemen. Waar waren in de jaren tachtig vorige eeuw eigenlijk géén problemen?). Het Combinatiegebouw ziet er, ondanks de herkenbare jaren tachtigstijl, nog goed uit. Al doorwandelend gaat me het licht op: de hele omgeving ziet er hier gedateerd uit. Ieder gebouw vertegenwoordigt met zijn stijl zijn eigen decennium. En doet meer dan vertegenwoordigen. Door de vele stijlen en stijlbreuken hebben alle gebouwen iets onverzettelijks. Alsof ze zich willen verdedigen tegen die jongere buurman, die zich weer verdedigt tegen die oudere buurman.

“KATTENBAKSHIT!”. Op het Agoradek aan de Agoraweg valt mijn oog op een aanplakposter met grote rode letters. Daar ben ik dol op, omdat zelfgebrouwen noodkreten veel over de gemoedstoestand ter plaatse melden. Meer dan gebouwen durven prijsgeven. Notes of Berlin was tijdens mijn Berlijnverblijf een favoriete site, en is het nu nog. Hier beklaagt iemand zich over het illegaal kattebaklegen. Het Agoradek is een Piet-Blomadept: veel woningen gebouwd op een parkeerdek, net als Piet Blom's Kasbah in Hengelo . Waardoor efficiënt ruimtegebruik. En waar bewoners illegaal de kattenbak lozen. Hier wordt niet alleen gewoond. Er is ook een chinees restaurant te vinden. “Nieuw China” staat er op een lichtbak die op een knalrood geverfd gebouwgedeelte is geplaatst.

Tegenover het Agoradek staat een intrigerend, bruut en donker gebouw. Het is het Apollo Hotel Lelystad City Centre. Meer DDR is er in Lelystad niet te vinden. Ik loop de lobby in, want hier wil ik meer van weten. De receptie is met een rolluik afgesloten. Er is niemand te vinden die mijn nieuwsgierigheid naar dit hotel kan bevredigen. Op de muur staat met van die schoolbordkrijtletters “We’ll Be Back @ 09-01-2017” geschreven. De letter A van Back is extra groot gemaakt. Vanuit de lobby is er een directe doorgang naar een restaurant dat Tasty Wok heet.

Tasty Wok grenst aan het Agorahof dat meer een plein is dan een hof. Hier staat het knaloranje Agoratheater van Studio UN heel erg knaloranje te wezen. Met zijn kont naar het plein, waar in de gevel maar één raam te vinden is, keert het zich volledig van dit plein af. Het bevestigt wat ik eerder tijdens mijn wandeling zag: in het centrum van Lelystad staat ieder gebouw volledig op zichzelf en trekt zijn neus op voor de buurman of –vrouw. Van dat Agoratheater kan je zeggen wat je wil –dat het een oranje dichte doos is die op een gemiddeld bedrijfsterrein niet zou misstaan, of dat het net dat stukje allure toevoegt aan Lelystad dat de stad nodig had- vanuit de ruimte is het in ieder geval niet te missen:

Met dit knaloranje object is Lelystad letterlijk en figuurlijk op de kaart gezet. Het theater neemt alvast een vrolijk voorschot op de toekomst. Een uitgestelde toekomst, want de herinrichting met nieuwbouw aan het Agorahof is door de crisis uitgesteld. Vandaar de dichte gevel. Daar waar de gevel wel open is en de ingang is ligt op het plein een omgevallen boodschappenkar. Een zwerm meeuwen stort zich krijsend op datgene wat rondom de dode boodschappenkar aan eten te vinden is.

Verderop in het winkelcentrum stuit ik op een Poolse winkel, Koniczynka genaamd. “Helemaal Kerst” staat er op de entreehekjes van de tegenoverliggende Jumbo, drie dagen na kerstmis. Ik loop de Poolse winkel in om te vragen wat Koniczynka betekent. Nergens personeel te vinden. Wel worst, en bier. “Chin.Ind.Rest” lees ik met moeite op een gevel; restjes lichtreclame die is verwijderd. De vreemde looproutes, de hoeken van 45 graden, de glooiende vormen in baksteen uit de jaren ’90-2000; Lelystad-centrum is een grote staalkaart van goede bedoelingen. Voor de bibliotheek staat een lezing aangekondigd van Inge Schilperoord, die met haar boek Muidhond een indringend portret schreef van een pedoseksueel. Ik ga de bibliotheek in, die ruim, groot en licht is. Veel romantische streekromans. Buiten ligt naast zonnestudio Tan Lounge het Juridisch Loket.

Wat opvalt, is die onuitroeibare Nederlandse combinatie van achteloosheid en ongeduld. Die speelt het centrum van Lelystad –en vele andere centra in Nederland- parten. Om de tien jaar zijn de inzichten hoe (winkel-)centra zouden moten functioneren verouderd. Vervolgens wordt met veel enthousiasme en nul analyse een nieuw concept van stal gehaald dat hoop moet geven voor de natie. Dat concept wordt in beton gegoten als oplossing voor de winkelcrisis. Hopsa: weer een nieuw complex opgeleverd. Deze keer in bruine baksteen in plaats van zichtbeton. Ik ben de laatste die hier gaat beweren dat architectuur sociale problemen zou kunnen (en moeten) oplossen. Maar problemen aanpakken met leuke kleurtjes, hippe gevelsteentjes of quasiambachtelijk metselwerk dat een betonnen casco verhuld? Verdoezelarchitectuur is het andere uiterste. En werkt niet. Dat hele winkelen en alle concepten die eromheen cirkelen om het aantrekkelijk te maken: het is allemaal zo niet-duurzaam, zo korte termijn, zo snel verouderd. Daar hoor je nou nooit eens iemand over. Telkens weer laten bestuurders zich voor het nieuwste ontwikkelaarsconceptkarretje spannen om het desbetreffende winkelcentrum weer succesvol te maken. Waarmee het achterhaalde als oud vuil wordt weggezet, zowel qua architectuur als qua winkelconcept. Alles overdekt? Uit de tijd: winkelend publiek moet het weer kunnen voelen. Openbare straten? Nee, want dan kan je geen controle uitoefenen op wat winkeliers doen. Smalle straatjes? Ja, want dat geeft dat stukje gezelligheid naar de mensen toe.

Positief bezien is Lelystad-centrum een staalkaart van stijlen, die bij elkaar een misschien niet mooi in de klassieke zin, maar zeker interessant overzicht geven van de architectonische ontwikkeling van een gemiddeld Nederlands nieuwbouwcentrum. Jammer genoeg heeft de gemeente Lelystad dat niet door. Zelfs niet in 2017 nu de stad 50 jaar bestaat. “Lelystad geeft lucht” deelt het billboard in het winkelcentrum voorbijgangers mee.

En toch…

Het is bijkans onmogelijk de tristesse van Lelystad te ontwijken. Die wordt hier zo recht in je gezicht gepresenteerd, dat ontwijken bespottelijk aandoet. Het briljante fileerwerk van voormalig Lelystadbewoner Joris van Casteren zal veel vakgenoten niet zijn ontgaan. Die tristesse, gecombineerd met telkens goedbedoelde nieuwe pogingen om het nu echt eens goed te doen, maakt dat ik een zwak voor Lelystad krijg. Alles is hier eerlijk, alles is hier rauw. Niks geen pretenties, behalve dat net opgeleverde gebouw, dat nog niet doorheeft dat hij al weer verouderd is en binnenkort zijn plaats moet kennen in de reeks van goedbedoelde pogingen. Al die goede bedoelingen, het maakt het zo menselijk. En dat ontroert.

Ben ik een urbex romanticus? Iemand die zich verkneukelt om verval, om daarna snel terug te keren naar veilig huis en haven? Wellicht. Dit bezoek aan Lelystad maakt nederig. Nederig naar je grootse doelen en gedachten, die in praktijk altijd gelogenstraft worden door de dagelijkse werkelijkheid. Zo werkt het voor eventjes verlaten van de ‘het is hier fantastisch!’-bubble die Amsterdam heet, louterend.

Is er hoop? Ik betrap me tijdens het wandelen op het feit dat ook ik last heb van die oerhollandse nuchtere ingenieursaanpakmentaliteit. “We hebben een probleem en dat gaan we oplossen”. Maar is Lelystad niet gewoon Lelystad? De contramal van het ‘succesvolle’ Amsterdam? Dat zich meer en meer afsluit voor alles wat geen geld oplevert of meebrengt? Waar economie is verengd tot geld verdienen en winst maken? Moet Amsterdam Lelystad niet bedanken dat zij de lelijkheid en de armoede voor haar rekening neemt? Zodat Amsterdam steeds verder gezuiverd blijft van lelijkheid en armoede? Dat zou investeerders weleens kunnen afschrikken. En dan zou Amsterdam weleens kunnen dalen op al die lijstjes waarop succesvolle steden van het moment staan genoteerd.

Heerlijk kippenvelmomentje’ laat de Maggi Versidee voor Braadstomen-lichtreclame me in de overdekte Dukaatpassage weten.

“Lelyschatje” denk ik, lopend naar het station, op weg terug naar Amsterdam.