Probleemplint

Geen flauw idee hoe het bij u thuis is, maar bij mij is het een probleem. Sterker: het is een probleem dat mij gedurende mijn glanzende (not) wooncarrière blijft achtervolgen: de plint. Vroeger, toen familie Kompier -net als alle andere buren- overging op echt parket in plaats van kamerbreed tapijt in de doorzonrijwoning, bleek de juiste plint uitzoeken al een probleem. Om het parket proper te leggen diende de bestaande witgeschilderde plinten vervangen te worden. Die bakenden het mooie nieuwe eikenparket af al was het een rouwkaart. Weg dus met die witte plint! Maar die liet zich niet zomaar verwijderen. Het wegslopen leverde grote gaten op in de betonnen muur. Op plekken waar de plint wel mocht blijven was er de redding in de vorm van de echt-hout overzetplint, die zich elegant over het bestaande witte plintje plooide. Alsof de dagelijkse kloffie bekleedt werd met een chique jas. Deze overzetplint bood ruimte voor de telefoon- en coaxkabel die nu niet op, maar achter de plint gemonteerd kon worden. Schijn bedroog. Want waar op rechte stukken de overzetplint prachtig bij het nieuwe parket paste ging het in de hoeken flink mis. Nog jarenlang heeft mijn moeder bij iedere stofzuigbeurt stukken hoekplint uit de stofzuigerslangmond moeten bevrijden. Die kwamen daar telkens klem te zitten, omdat ze niet aan de rest van de plint vastzaten. Want lieten zich niet vastspijkeren. Vele woningen en plintproblemen verder heb ik bij de laatste vloerrevisie een radicale beslissing genomen. De plakplinten, die na een jaar spontaan loslieten en bij langslopen zich wanhopig vastklampten aan sloffen en schoenen, zijn nu stevig vastgeniet aan de houten vloer. Met als gevolg dat ze feestelijk meebewegen met die vloer, als die aan de wandel gaat. Zodat er tussen muur en mooi vastgespijkerde platte plint een gat ontstaat. Vooral in trek bij grote vlokken stof.

Oostelijke Handelskade Amsterdam IJ-toren

Oostelijke Handelskade Amsterdam IJ-toren

Plintprobleem: van woning naar stad

Die huiselijke plintenproblematiek is haarscherp terug te zien op de schaal van de stad. Ook daar blijkt het telkens weer een probleem hoe een goeie plint te ontwikkelen. Er wordt wat afgetobt in plintenland, want makkelijk was -en is- het niet. En dat zal in de toekomst zeker niet makkelijker worden. Waarom niet? Omdat veel steden aan het bouwen zijn geslagen. De vraag naar woningen is groot. Dat betekent dat gebouwen van twee of minder verdiepingen vervangen worden door nieuwbouw. Op andere plekken, waar nog wat rafelige restruimte lag te verslonzen, wordt flink verdicht en bebouwd. Op zich een goed streven, ware het niet dat wonen het minst stedelijke element is om toe te voegen En dat heeft uitstraling op de begane grond: de plint. Want wat vereist een woontoren van een plint? Niet meer dan een simpele in/uitgang; de ene voor mensen, de andere voor auto’s. Probleem is dat torenontwikkelaars vaak woningontwikkelaars zijn die weinig kennis hebben van niet-wonen. Programmatisch blijft de plint dan hangen op het wonen. Architecten bekommeren zich sterker over hoe de toren zich in de lucht kan onderscheiden van andere torens dan om de plint.

Het is net als bij de mens. Die geeft ook meer aandacht (lees: geld) uit aan gezicht en kapsel en veronachtzaamd zijn voeten. Jammer, want zonder voeten kom je nergens. Dat geldt eveneensvoor (toren-)bebouwing zonder goede plint. Programmatisch gaat het dus vaak fout; in plinten van woontorens wordt slechts alleen een entree gemaakt. Geen ander programma als winkels of kantoren. Die entree op plintniveau is vaak miezerig. Niks royaals, want dat scheelt weer vierkante meters die meer opbrengen als woning dan al luxe, hoge entreehal. “In de grote gebouwen verraadt de kaalheid van de entreehal en de afwezigheid van een conciërge toch weer dat de allure alleen aan de buitenkant zit“ (Paul Schabel in: Uitgebreid Amsterdam 50 jaar Amsterdamse Raad voor de Stadsontwikkeling 2007). Nederlandse architecten zijn gespecialiseerd in efficiënte plattegronden. En efficiënt en allure hebben een slecht huwelijk.

IJ-toren Oostelijke Handelskade Amsterdam

IJ-toren Oostelijke Handelskade Amsterdam

Wat in ieder geval ook niet helpt, is dat (woon-)torens in Amsterdam vaak incidenteel, zonder enig verband met de omgeving worden neergezet. Een succesvolle plint is afhankelijk van dichtheid. Dus pas met meer torens bij elkaar. Hoe dat goed fout kan gaan laten torenplinten in het Oostelijk Havengebied in Amsterdam zien. Daar is volgens het masterplan een aantal hoogteaccenten gepland, die vooral ver uit elkaar staan. Wellicht op de schaal van de stad of de regio een prachtig beeld, maar de stad en de buurt hebben er niets aan. De toren op KNSM-eiland spant daarbij de kroon. Hier bestaat de plint van de toren uit een parkeerplateau, deels verdiept, deels boven de grond. De interactie met de omgeving is nul.

Skydome aan de KNSM-Laan Amsterdam

Skydome aan de KNSM-Laan Amsterdam

Maar ook de IJtoren aan de Oostelijke Handelskade, die nota bene deel uitmaakt van een winkelcentrum, waarvan je toch zou verwachten dat het in potentie een levendige plint op zou kunnen leveren, is levenloos. Zo dood als een pier. Het bloemenstalletje dat er voor gezet is benadrukt alleen maar dat deze plint als klaagmuur uitstekend functioneert. Als plint niet. Toegegeven, een goeie plint bakken is lang niet makkelijk, maar doe tenminste je best. Dat schijnen ze in Utrecht ook niet te doen, gezien het advies bij hoofdpijndossier Hoog Chaggerijne. Daar wil een goede, levendige plint ook maar niet tot stand komen. In een gebied waar in potentie tienduizenden per dag langslopen ben je als opdrachtgever (en architect) aan jezelf en de stad verplicht het onderste uit de kan te halen, als geste naar de stad en haar inwoners.

Tekening van Hoog Catharijne bij het Smakkelaarsveld met opgehoogde plinten; bron: DUIC

Tekening van Hoog Catharijne bij het Smakkelaarsveld met opgehoogde plinten; bron: DUIC

Toen dood, nu dood?

 Het is uitermate teleurstellend om te zien dat deze dodeplintenbijtorens-trend zich anno 2017 hardnekkig doorzet. Twee recent in aanbouw genomen torens in Amsterdam Nieuw West boren alle hoop op een mooie, goed functionerende plint de grond in. De toren Little Manhattan, naast station Lelylaan, doet net alsof hij overal had kunnen staan. Terwijl een station toch veel verkeer en nota bene wandelaars oplevert. De intentie om te verdichten rondom stations; daar kan niemand tegen zijn. Maar mag er dan meer aandacht naar een goeie plint geschonken worden? Een tweede toren Change=, niet ver daar vandaan, durft het zelfs aan om op straatniveau te volstaan met een compleet paars gekleurd vlak zonder enig leven.

Little Manhattan, naast station Amsterdam-Lelylaan

Little Manhattan, naast station Amsterdam-Lelylaan

Extra pijnlijk is dat in de discussie over de bestaande bebouwing in Nieuw West de dode plinten van de bestaande bebouwing als probleem worden gezien. Wat heeft het dan voor nut om deze omissie van levendige plinten met nieuwbouwextra te benadrukken? Opdrachtgever en architect zullen de kritiek van zich afwerpen (ik moet toegeven dat beide torens op de begane grond -beperkt- delen hebben waar de gevel wel open is naar de straat, waar ten minste de mogelijkheid met interactie met de straat mogelijk is). Maar je zou toch verwachten dat torens die op de begane grond staan aan alle kanten een aantrekkelijke onderkant hebben? Nu ogen biede projecten als een dikke middelvinger naar straat en stad.

Litte Manhattan, Amsterdam Lelylaan

Litte Manhattan, Amsterdam Lelylaan

Woontoren Change= aan de Postjesweg Amsterdam

Woontoren Change= aan de Postjesweg Amsterdam

Plintenrecept?

Naast oorzaken is wellicht een aantal oplossingen aan te dragen. Of ooplossingen... eerder handreikingen wat je kan doen om je in te zetten voor een levendige plint. Een van de clubs die zich met plinten bezighoudt is The City at Eye Level. Deze organisatie is er van overtuigd dat de kwaliteit van de openbare ruimte de ruggengraat van een duurzame stad is. Plekken waar je –intuïtief- langer wilt verblijven, interactie op de schaal van de straat, tussen gebouw en straat, het eigenaarschap én goede plinten zijn daarvoor voorwaarden. De City at Eye Level-idee is om dit te bereiken door meer in te zetten op wat mensen willen, in plaats van programma’s van eisen voorschrijven. Het heeft geresulteerd in een boek, dat is te downloaden. Daarnaast organiseren zij een programma, om daarmee over de hele wereld steden te verbeteren. In het boek wordt een aantal tips gegeven om een goede plint te maken. Allereerst: kijk niet naar steden als Barcelona, Milaan, Berlijn of Vancouver, zoals recentelijk gedaan is voor de geplande hoogbouwbuurt-met-levendige-plint Steigereiland in Amsterdam. Iedere stad heeft zijn eigen kenmerken. Die kenmerken zijn uitermate bepalend waarom de plint wel of niet functioneert. Barcelona en Berlijn zijn beiden megadicht bebouwd. Veel woningen ontberen buitenruimte. Daarvoor verwordt de straat automatisch tot halve huiskamer, met levendigheid als gevolg. Alleen al de fysieke voorwaarden voor een goede plint (hoogte, breedte en diepte) stellen specifieke eisen en kunnen lang niet altijd financieel opgebracht worden. Het programmeren van een goede plint komt hierna. Zonder programma dat op de plek past is een plint gedoemd te mislukken.

The base of Melbourne, Australia’s Council House 2 adds to life on the street; bron: PPS.org

The base of Melbourne, Australia’s Council House 2 adds to life on the street; bron: PPS.org

Straatjutten

Goed kijken kan helpen. Kijken op het niveau van de straat. Hoewel ik helemaal niet zo’n Jane Jacobsadept ben is een wandeling genaamd Jane’s Walk een goede manier om de bestaande en potentiële kwaliteiten van plinten in de stad te zien en ontdekken. Op 5, 6 en 7 mei 2017 wordt er een dergelijk walking event gehouden, tegelijkertijd met meer dan 150 steden over de hele wereld.  Wat ik Jane moet nageven is dat zij zeer scherp ziet hoe stadsbewoners en gebouwen beter met elkaar verbonden kunnen worden. Essentieel voor de stad van nu, zeker nu steeds meer (jonge) mensen naar de stad trekken. Die doen dat niet om bovenin hun woontoren te gaan zitten achter de spreekwoordelijke geraniums. Die gaan en willen de straat op, om van de stad en het leven in de stad te genieten.

Ook de ideeën van PPS.org zijn interessant om als plintontwerper of plintontwikkelaar kennis van te nemen. PPS staat voor Project for Public Spaces, en houdt zich bezig hoe de openbare ruimte te (re-)activeren. Ook bij hun methode hoort goed kijken. Zo is hun stelling dat een openbare ruimte die als prettig en veilig ervaren wordt, meer vrouwen dan mannen telt. Denk goed na wat je met de plint zou willen. Beschouw het niet als louter fysiek te bouwen ruimte die na oplevering als vanzelf een levendige plint gaat opleveren, maar begin op tijd met een visie, aldus planoloog en bedrijfskundige Jos Sentel. Ook hij ziet goed kijken als belangrijk instrument, ofwel ‘straatjutten’ zoals hij het toepasselijk noemt. Er kan niet volstaan worden met al te simpele oplossingen. Natuurlijk kan de gemeente een extra hoge begane grondverdieping verplicht stellen. Maar dat is slechts het halve werk. Een inflexibel juridisch bestemmingsplan kan de multifunctionaliteit van die mooie hoge begane plint compleet teniet doen. Een goed functionerende plint uitdenken vraagt om genuanceerde aanpak en oplossingen. Dat nuanceren kost denkkracht en tijd. Dus ook afdeling juridische zaken van gemeenten dienen in te zien dat die levendige, gezellige, goed functionerende stad pas tot stand komt als de juridische- en bestemmingsplanvoorwaarden daar ruimte voor bieden. Kortom: een woontoren bouwen is playing solitaire, maar een goeie plint is een gezelschapsspel.

plint vincent kompier

Nu maar hopen dat architecten, opdrachtgevers en welstandscommissies zich meer gaan inspannen om betere plinten te maken dan nu worden gemaakt bij het verbouwen en verdichten van steden. Dat is in belang van de stad, haar bewoners, de vastgoedwaarde van het pand en voor de hele wereld.

Wie alsnog af en toe mocht vergeten dat een goed functionerende plint essentieel is raad ik aan om regelmatig een dosis Marlene Dietrich te luisteren.